Zuster Maria-Magda Alma Hosten

Zij werd geboren te Leffinge op 16 september 1909, als derde kind en tweede  dochter van het echtpaar Jozef Hosten – Eugenie Devriendt. Na haar werden er in het gezin nog zes kinderen geboren, negen dus in totaal, waarvan er acht  volwassen werden en eentje stierf aan de “mazelen”, als baby van dertien maand. In datzelfde gezin werd ik geboren als zevende in de rij en Alma, zeven jaar ouder  dan ik, was voor mij dus al een grote zus.

Vader Hosten was beenhouwer van  beroep, woonachtig in het gedeelte van de Dorpsstraat dat toen nog  “Schaarbekestraat” werd genoemd en zelfs zijn eigen wijkkermis had:  “Schaarbekekerremesse”. Alle negen kinderen werden er geboren in het lage  huisje “Herberg den Os”, meermalen te zien in het prentenboek “Leffinge vroeger  en nu”. Het huis werd een verdieping hogerop getrokken rond het jaar 1925.

Alma liep lagere school bij de Zusters van Heule, gevestigd aan de Vaartdijk-Zuid, en werd daarna naar het pensionaat van de Zusters Annuntiaten te Heverlee bij  Leuven gestuurd, waar haar twee jaar oudere zus Marie haar reeds was voorgegaan.

Het al of niet “laten voortstuderen” van hun kinderen was voor vader en moeder  Hosten een cruciaal probleem. Vele uren van hun bedrust hebben ze besteed aan  gesprek en gepieker over dat vraagstuk. Ze dachten het wel aan te kunnen voor  een paar jaar… maar of méér zou kunnen?? Voor de oudste, een jongen, was de  beslissing spoedig gevallen. Na een tijdje op het college te Oostende geweest te  zijn, bleef hij thuis om mee te werken in het bedrijf van zijn vader en dus mede in  te staan voor het onderhoud van het gezin. Na hem kwamen vier meisjes. Twee,  waarbij dus Alma, waren ondertussen al op pensionaat… en het werd erg moeilijk.  Moeder besloot ze maar liefst thuis te houden. Vader zei aarzelend: “zullen we het  ons later niet beklagen…??”

Om voor de oudste zoon een eigen bestaan voor te bereiden en het gezin betere bestaansmiddelen te verschaffen, werd te Middelkerke een nieuwe beenhouwerij  begonnen, waar de oudste zoon, nog ongehuwd, heen trok, geholpen door een  paar van zijn zusters. Alma moest helpen bij de start en dus, tijdelijk althans, de studies onderbreken. Het bleef bij één jaar. Daarna ging ze verder en behaalde achtereenvolgens het diploma van onderwijzeres en van wetenschappelijke  regentes.

Kloosterzuster worden

Het zat er inderdaad al heel vroeg in, en de zusters van het pensionaat speelden  maar al te graag daarop in. In die tijd was een veel gebruikte tactiek in veel  congregaties, de meisjes al heel jong te laten intreden, vijftien, zestien, zeventien jaar. Nog voor ze enig contact hadden gehad met de perverse wereld. Moeder  vertelde later graag en met monkelende ironie, hoe Alma’tje, die één of twee jaar  op pensionaat was, onder de grote vakantie naar haar toekwam terwijl ze aan de wastob stond en vroeg… of ze binnen mocht gaan bij de Zusters Annuntiaten van  Heverlee. Moeder antwoordde, dat ze dat zeker mocht, … maar dat ze daarover nu  moest zwijgen tot ze 21 jaar oud was. Geweldige ontgoocheling bij de jonge  geroepene. “Maar moeder, het is al geregeld met de zusters”, en die zouden haar  volgend schooljaar reeds graag haar intrede laten doen. Niets aan te doen, moeder bleef op haar stuk.

Even graag als moeder dit later vertelde met een tikje schelmse spot, even graag  vertelde Alma hoe ze, ouder en wijzer geworden, moeder mateloos dankbaar was  voor die onwrikbaarheid.

Naar een Missiecongregatie

Alma trad inderdaad niet binnen te Heverlee. Na het bekomen van haar  einddiploma, gaf ze een paar jaar les in een school te Passendale om ook een  steentje bij te brengen voor het gezinsonderhoud. Daarna, op 1 augustus 1932,  trad ze binnen bij de “Dochters van O.L.Vrouw van het H. Hart”, zowat de  vrouwelijke tak van de Missionarissen van het H. Hart. In die tijd hadden ze hun  noviciaatshuis te Buggenhout. Ze zou binnenkort 23 jaar oud worden. In zeer sierlijk handschrift liet ze aan ieder van ons een persoonlijk aandenken.

Hierbij een kopietje van wat ik kreeg:
Aangezien Alma haar studies reeds had beëindigd en onmiddellijk een taak van  lerares kon aanvragen, was ze zeer vlug klaar voor de missies. Na de nodige tijd  voor postulaat en noviciaat scheepte ze in voor de missie van Coquilhatstad (nu Mbandaka) in het toenmalige Belgische Kongo, op 18 mei 1934. Op het  herinneringsprentje staat verkeerdelijk “4 mei”. De Kongoboot vertrok pas 14  dagen later.

Ik herinner me zeer goed dat het op een vrijdag was, want daaraan is  een merkwaardigheidje verbonden dat ik nooit vergat. Geheel het gezin ging met een
minibusje van een Middelkerks taxibedrijf naar de Antwerpse haven voor een  laatste groet en om de afvaart van de boot mee te maken. En ook vader ging mee omdat het toevallig een vrijdag was en er in die tijd op die dag van “vleesderving”  in de beenhouwerij toch niet veel méér te verhandelen viel dan wat smout. Was  het geen vrijdag geweest, hij zou er niet aan gedacht hebben mee te gaan. WELNU, die vrijdag is de enige dag in heel het actieve leven van vader Hosten waarop de winkel gesloten bleef. Verlof of sluitingsdagen hebben mijn ouders nooit gekend. Dat was de tijd van toen!

Toen vader aan Alma een laatste kruisje gaf, zegde hij met stokkende stem: “Ik zal je nooit meer terugzien”. Het is ook inderdaad zo geweest.

Dertien jaar missieleven

Alma, alias zuster Magda, kwam terecht te Boënde, gelegen in het Evenaarsdistrict,  waar ook de Missionarissen van het H. Hart werkzaam waren. Ze  had er als taak zich te wijden aan het onderwijs en de opvoeding in een school die nog grotendeels uitgebouwd moest worden. Spoedig werd ze directrice van de  school en na drie jaar eveneens Overste van de plaatselijke zustercommuniteit.

Onder de leiding van Zuster Magda nam de school een zeer grote uitbreiding en stond ze hoog aangeschreven én bij de zwarte én bij de blanke

bevolking. Over haar persoon en haar werk beschikken we niet over veel  uitgegeven bronnen. Het meest omstandige verhaal dienaangaande werd  geschreven door een pater die op dezelfde missiepost werkzaam was, maar die  verkoos anoniem te blijven. Laten we hem noemen Pater X. Nadat Zuster Magda de missie verlaten had schreef hij een aandenken aan haar en aan haar werk onder de titel: “Adhuc visio in terra” (Het zienerschap is niet dood in deze materiële wereld). In zover ik weet werd dit script nooit ergens gepubliceerd, maar enkel  rondgestuurd aan familieleden en vertrouwde bekenden. Na lang aarzelen durf ik toch enkele passages eruit aanhalen…zij het met een zekere schroom, omdat het over mijn eigen zuster gaat.

“In de school, in de lessen, bij de vele turbulente jongens,
altijd dezelfde blijmoedigheid, geen humeur, geen hoog
en laag, gelijkmoedig bij weer en wind…, in het wisselen der
seizoenen en die zo ontzenuwende zuidwestenbries… En met
zulk een ontzaglijk gezag, dat ze alle gemoederen kon
beheersen met wat van haar persoon uitging en uitstraalde en
zich bij die vele jongens vertolkte in een soepele tucht, in en
buiten de klas en op hun eigen vrije kwartier, dat het de
bewondering afdwong van elke bezoeker die er verstomd naar
te kijken stond.
Zij moest niet roepen, zich nooit kwaad maken, had
geen zweepke vandoen, zelfs geen ogen te zetten, haar persoon
alleen, waar een dwingende, dankbaar aanvaarde en
haast aanbeden kracht van uitging, naar moniteurs en
colonies, zodat ze allemaal dachten dat zij, hun “mama”, altijd
met God in gesprek was. Hun vertrouwen kende geen
grenzen. Hun vertrouwen hield zelfs niet op bij de ingang van
dat soevereine terrein van de “ziel”, waar zij haar vroegen
binnen te komen om er het onkruid uit weg te wieden. Haar
invloed was ZO sterk en verreikend tot in de verst afgelegen
dorpen… Hun vertrouwen en hun aanhankelijkheid was zo
groot, dat zelfs in het stervensuur, in bijzijn van hun eigen
moeder, niet hunne NIANGO (de moeder die hen gebaard
heeft) riepen, maar de MAMA. Zij moest hen over de drempel
dragen der eeuwigheid en in HARE armen waren ze veilig en
gelukkig en blij lachend alsof ze in de buiging lagen van dearmen van O.L.V. zelf. Voor hun mama zouden ze door het
vuur en door de dood gesprongen zijn met een jubelend EMI
OH. Het MOEST perfect zijn, in de puntjes, goed werk, net
werk, schoon werk.
Een nauwelijks merkbare mistevreden plooi om de mond,
was erger en striemender voor hen, dan de wreedste chicotte,
want DIE plooi trof hun ziel en daaronder zouden ze
ineenkrimpen van schaamte en verdriet en spijt.
Ge moest dan ook de lokalen zien, een plezier om erin te
komen, ge had er deugd van. Orde, kraakzindelijkheid, nog
geen snippertje op de vloer… En bloemen, bloemen, bloemen
en blije moniteurs en blije jongens”.

Een hachelijk en … gevaarlijk avontuur

Zuster Magda was nog een heel jonge missiezuster, pas een jaar in de tropische  missie, toen haar iets overkwam dat heel de missie in de hoogste paniek bracht. Ze vertelde het in een schrijven naar huis, en op aanvraag, vertelde ze het ook in de  “Annalen van O.L.Vrouw van het H. Hart” (september 1935).

We lezen het (ietwat ingekort en in een jongere spelling overgeplaatst) onder de titel “ANGSTVOLLE UREN”.

“Het gebeurde binst het paasverlof. Drie zusters in
retraite, ik was erbij. ’t Schijnt dat we te ernstig waren. Nu,
in elk geval, de avond van 1 mei bracht wat afwisseling.
’s Woensdags na het lof van vijf uur, trok ik een van onze
missiewegen op … Midden die wonderschone natuur heeft men
geen moeite om met zijn gedachten bij de Heer te blijven. ’t
Bovenmenselijke ligt er af te scheppen. Zo stapte ik die avond
de weg langs de oostkant op tot tegen het bos. Daar zag ik
rechts een wegelke. Had Zuster M. Beatrijs niet gezegd dat
men er langsheen het woud de missie rond kon stappen? Ik
stond dus voor de kans een nieuw natuurhoekje te leren kennen.
Vooruit dan maar…, een beetje na zes uur ben ik terug
thuis.
Al paternosteren trok ik het pad op, recht het bos in. In
’t begin scheen het wegje nogal fatsoenlijk en ik genoot volop.
Alles zo boeiend dat mijn natuurliefde er helemaal geen gevaar in zag.
Ik draaide dus rondom de missie, zo stond bij mij vast,
en straks zou ik op de baan langs de westkant uitkomen. Na
zowat twintig minuten begon ik het precies te wantrouwen. ’t
Wegelke had een andere richting genomen… doch midden die
dichte bossen kan men zich zo moeilijk oriënteren, dat ik
mezelf maar liefst overtuigde dat ik toch de goede weg
opstapte… Maar neen, ik geraakte hoe langer hoe dieper het
bos in. Opeens een klaarte in de verte. Daar is vast de Missie.
Toch niet. Het woud was er alleen wat minder dicht begroeid
zodat het meer licht doorliet. Zou ik dan werkelijk verdwaald
zijn? Maar neen, dat kan niet, enkel een klein eindje heeft
men die andere richting moeten nemen omwille van het dichte
bos. Wat flinker doorstappen. Steeds niets. Dus midden in het
oerwoud en verdoold!
’t Werd donker. Om zes uur gaat de zon onder. Wat
gedaan? Terugkeren? Nu het zo duister werd zag ik al de
zwarte akeligheid in van wat ik eerst zo genietend was opgegaan.
Terugkeren, dat doe ik niet… kort bij moet wel een
betere uitkomst zijn. Even achterom kijken…, nee vooruit.
Wellicht is ’t seffens beter. Hoe langer hoe dieper het woud in,
hoe langer hoe slechter het wegelke, hoe dichter het bos en
hoe zwarter de avond.
Ik zette het op een lopen en durfde noch op het uur noch
op mijn medezusters denken. En steeds geen uitkomst, geen
enkele. Alleen gefluit, gezang, gerucht van dieren en insecten,
wat me nog meer liet verstaan hoe laat het werd en hoe eenzaam
en verlaten ik hier was. Het werd zo donker dat ik geen
wegelke meer kon onderscheiden… toch liep ik maar voort.
Mijn rozenhoedje bidden had ik reeds geruime tijd onderbroken,
doch ik stak het nu recht voor mij uit als om me te leiden.
Het werd me zo bang en ik liep hoe langer hoe harder. Die
wildschone natuur werd nu wildvreemde natuur, de prachtige
bomen benauwelijke zwarte massa’s, ’t interessant wegelke
een onoplosbaar raadsel, de schone lucht akelig wreed, want
het onweer begon te dreigen en de weerlicht flitste gedurig
tussen de hoge bomen. ’t Avondconcert van dieren en insecten
werd een wild lawaai, dat me dikwijls onderzoekend deed
rondkijken. Geen troost, geen hoop… niets! En toch voelde
ik me voorwaarts gedreven en zou nooit tot terugkeren hebben
kunnen besluiten.

Opeens een open plaats. Ik bukte me haastig: water?
Een beek? Hier een beek? De beek tussen de missie en Ilombe
wellicht? Een smalle boom lag erover, en met glibberige
slijkschoenen liep ik erover als een rat. Ik voelde mijn hart wat
minder benauwd. Wellicht ben ik dicht bij Ilombe. Daar
zouden de mensen me wel voort helpen. Naar de zwarten dus.
Van het danige lopen waren mijn twee schoenknoppen
afgesprongen en opeens was ik een schoen kwijt geraakt. Hij
was in het slijk blijven steken, en was het niet van de witte
zool, die mijn goede moeder er in de tijd nog had ingepast, ik
had hem vast in de duisternis niet meer teruggevonden. Nu, ik
dacht dichter bij Ilombe te zijn en ik was er ongeveer nog zover
vanaf als van de missie. Ik kan moeilijk mijn verdere vlucht
door dat woud beschrijven…, ik zie er nu nog van af als ik
erop denk.
Opeens geen bos meer, geen wegelke meer. Ilombe?
Neen, een breed plein met hoog gras tot aan de heupen, en
geen enkele hut, geen enkel mens. Ik ben tot midden in het
plein gelopen en toen zag ik zo klaar het vruchteloze van alle
verdere pogingen in, dat ik heel spontaan heb geroepen, zo
luid ik maar kon met mijn West – Vlaamse keel. ‘k Heb
geroepend op “Moeder! Moeder!”, Op “Pater Theophiel”, o
zo dikwijls. Al roepen en door ‘k weet niet welk gebaar is mijn
paternoster weggeslingerd… en ik heb er zo vruchteloos naar
gegrabbeld. Toen scheen het me of ook de hemel doof was en
ik heb geroepen “Lieve Jezus, waar zijt ge toch!”. Wat heb ik
toen geleden aan verlaten en verloren zijn!
En toch. Ineens werd ik heel heel kalm. Ik zag het
gevaar van mijn toestand zo duidelijk in, dat ik de Heer toen
heel liefdevol het avondoffer van mijn leven heb gebracht, zo
het Hem aangenaam mocht wezen…, en ‘k zou nu maar
afwachten tot dat een slang of een wild dier me van ’t leven
kwam beroven. Zo was het me goed en de weerlicht en het
dreigend groot onweer maakten me geen zier meer bang.
Maar plots dan weer die folterende gedachte aan de
missie, aan mijn goede medezusters, aan de paters, aan al
hun angst en pijn, aan vader, aan moeder, broers en zussen,
aan allen. Neen, ik moest voort naar een uitweg zoeken… en
zo spontaan begon ik weer te roepen, zo hard om er mijn keel
bij te scheuren.
Plots vernam ik wilde klanken… Mensen? Zouden daartoch mensen zijn? Ik riep weer. Stilte. Vast een of ander wild
varken. Ik kon, bijna niet meer roepen, en toch begon ik
steeds opnieuw. Na ongeveer weer een kwartier – een
eeuwigheid als men ’s nachts zo midden het oerwoud staat –
hoorde ik weer precies mensentaal. “Zijn daar mensen?”
Geen antwoord en ik zag niets. “Is daar iemand?” Ja, opeens
wat bange antwoorden. ’t Waren zwarten. Hoeveel en welke?
Ik kon niets onderscheiden. Toen riep ik dat ik een Mama van
de missie was en hoe ze me toch maar naar de missie of weer
op de weg moesten helpen…, maar geen enkele wou naderen.
Ik vroeg dan van waar ze waren. Van Ilombe. ’t Was reeds een
troost voor me, want ik herinnerde mij de goedheid van de
inwoners van Ilombe bij ons laatste bezoek. Toch dierf niemand
naderen, en ik betrouwde het ook niet fel.
“Mama kom bij ons” riepen ze van ver. “’t Is duister,
blijf bij ons”. Ik verzekerde me eerst of ze wel van Ilombe
waren en trok dan maar mee.
Toen werd me alles duidelijk. Ik zat op een paar minuten
van Ilombe, een uur van de missie af, midden op het plein
waar vroeger oud – Ilombe was gebouwd. Mijn ontvangst
aldaar en de goedheid van die wilde mensen vergeet ik nooit.
Seffens boden ze me een zitplaats aan, een boomstam. Maar
mijn hart en mijn gedachten waren zo op de missie dat ik
gedurig weigerde. Ze dachten dat een boomstam niet fatsoenlijk
genoeg was, en algauw kwamen ze van het ander uiteinde
van het dorp met een stoel aan. Ik ging zitten en seffens
brachten ze verschillende inlandse toortsen om het plein te
verlichten. Een oude waardigheid van het dorp, met het
zwaard in de hand, hield de mensen op eerbiedige afstand van
me af. De vrouwen en kinderen begonnen hun verdriet om mij
uit te zingen, me om de beurt ondervragende, en wel dertig
keer hebben ze mijn roepen nagedaan en verteld hoe ze bij
“moeder” – die klanken niet kennende – meenden dat een
luipaard hun dorp kwam overvallen. De naam “Tata
Theophiel” gelijk zij het zeggen , deed hun besluiten dat ik feitelijk
een mens was. Enkelen waren dan gaan zien, en het zicht
van die blanke gestalte midden dat hoog gras in de duisternis,
deed hen wel vijf zes keer terug naar hun dorp lopen. Ze meenden
met een verrezen mens of geest te doen te hebben, en zelfs
hadden enige zich van schrik op de grond laten vallen. Zo
werd het me duidelijk hoe ik herhaaldelijk en bij tussenpozen klanken, stemmen, had vernomen.
Ondertussen werkten ze maar ijverig voort om toortsen
te maken, teneinde me naar de Missie terug te brengen. En
daar ja … waren het ook bange uren voor de Paters en onze
Zusters. Naar het schijnt was iedereen daar op de been.
Overal was men naar mij op zoek, langs alle paden, op alle
banen, en aan alle kanten riep men vruchteloos op mij. Reeds
tweemaal was men het wegske van Ilombe opgegaan, doch
nooit ver genoeg geweest. Eens dat men mijn voetindrukken
gezien had in ’t smal pad zijn de twee Paters en de Broeder met
enkele zwarten verder gegaan. “t Was vooral akelig, zei Pater
Louis, als Pater Theo met zijn lantaarn in de jagersputten ging
zoeken”.
Als Ilombe genoeg toortsen klaar had, werd besloten me
algauw naar de Missie te brengen. Een hele bende wilde mee.
Ik zei dat drie volstond… Een grote beslissing weeral.
Eindelijk werden vier man uitgekozen en onder wild geroep en
wilde groeten vertrok ik met vier heidenen, echte onbeschaafden
nog. Eén voor me met licht, drie achter me, twee met een
mes en één met een tweede brandende fakkel… en nu weer dat
ellendige pad op. Wat heb ik bij het teruggaan dikwijls
gehuiverd, bij het zien van al die gevaren, van al die hinderpalen,
en toch had ik bij die terugtocht zoveel menselijke hulp.
Daar stapte ik, een piepjonge missiezuster midden tussen vier
nog echte wilden, met enkel een raffiastrook als enig kledingsstuk
en hun messen in de hand… in ’t holle van de avond,
midden in dat woud, waarboven maar gedurig het weerlicht
voortbliksemde. Plots roepen ze “een slang”. Maar de
zwarten nemen dat nogal kalm op, ze verhaasten enkel hun
stap. Aan de beek gekomen kon ik ze niet ervan overtuigen dat
ik daarover was geraakt en ze wilden absoluut niet dat ik het
andermaal beproefde. Ze hebben me er bijna over gedragen.
Na een goed half uur hoorde ik bekende stemmen:
“Banto ba miso !!” Algauw stelden ze per keeltelefoon mekaar
gerust.
Dagen en dagen lang hebben de zwarten me doen inzien
hoe ik nu voortaan op de missie moest blijven, en ik hen nooit
meer mocht verlaten. En waarom ze aldus spreken? Ze begrijpen
niet hoe ik dat smal wegske ben opgegaan om te bidden…
als hier zoveel schone wegen zijn op de missie!
Ze hebben op de gebeurtenis een lange treurzang
gemaakt, die nooit eindigt. Een soort psalm, die ze zingen bij
het dansen, metsen, timmeren of gelijk welk werk en waarin
één met hoge toon de hele geschiedenis vertelt en het koor
telkens een klagende tussenstroof herhaalt.
“Ik dank de Heer en blijf Hem danken voor al zijn liefde
voor mij op die avond en voor al de goedheid van de mensen.”
(Zr. M. Magda.)

Van Missiezuster tot Karmelietes

Wanneer men in die tijd naar het missiefront trok, was het om nooit meer terug te keren. De oorlogsjaren kwamen, en van 1940 tot einde 1944 was alle  correspondentie met Kongo onmogelijk. Vader Hosten stierf op 4 juli 1944 in ’t zicht van de aankomende bevrijding. Zoals hij het snikkend had voorspeld, zou hij  dus hier op aarde zijn dochter Alma niet meer terugzien.

Spoedig nadat het postverkeer met de kolonie was hersteld, kwam evenwel het aangrijpend bericht, dat Alma het missieterrein zou verlaten, naar het moederland terugkeren, en hier in zou treden in de Karmel. Dit onverwachte besluit verwekte een echte opschudding én in het Missiegebied én in de Congregratie die ze zou  verlaten.

In de missie zelf betreurde men haar heengaan, maar ze vond er wel begrip bij Zusters en Paters en bij de bisschop Mgr. Van Goethem, die zeer goed wisten, hoe  ze aan dereuzenarbeid die ze verrichtte steeds een diep contemplatief leven had  weten te koppelen.

Minder begrip, maar eerder ongenoegen en oppositie ondervond ze vanwege de  Oversten van haar eigen Congregatie, die ze nochtans van harte liefhad. Die zagen hun verwachtingen teleurgesteld… en die verwachtingen stonden juist zo hoog   gespannen. In die tijd (1945-1946) verbleef ik voor studie – aangelegenheden te Parijs. De Congregatie had haar generaal huis te Clamart, in de Parijse banlieue. Ik ging er voor haar pleiten bij de generale overste. De ontvangst was aan de koele kant. Ik kon er vernemen dat er binnenkort een nieuwe provinciale overste voor België aangeduid moest worden, … en dat Zuster Magda de geplande kandidate  was… al wist ze zelf nog niets daarvan. Neen, begrip, laat staan waardering voor haar besluit was er niet. Alleen een nauwelijks verholen wrevel.

En bij de Vlaamse Karmelietessen stond men ook niet te trappelen om haar te aanvaarden. Een zuster die uit een andere Congregatie kwam…, die ongeveer  dertien jaar aan het missiefront in Afrika had gestaan…, die er negen jaar lokale overste geweest was! Die bovendien (zo meenden ze) niet gevormd was in de geest en de spiritualiteit van Moeder Theresia. Welk een mentaliteit zou die  meebrengen? Zij had zoveel méér van de wereld gezien…, zou met haar niet een vleugje van die “wereldse” wereld mee binnen waaien? Zou zij zich terug kunnen  invoegen in de rij van gewone onderdanen…, in gehoorzaamheid en nederigheid?  Hoe zou vooral de novicenmeesteres het kunnen vinden met een novice van een dergelijk kaliber??? Nee, erg scheutig waren ze niet.

Dank zij de tussenkomst van voorname en invloedrijke personen werd ze toch  aanvaard in de Karmel van Mechelen, maar wel onder bepaalde en nogal  vernederende voorwaarden, die haar in feite zeer welkom waren, omdat ze niets liever verlangde dan te verdwijnen in een stille anonimiteit. Wat haar wél pijn, en veel pijn heeft gedaan, was het feit dat haar voormalige oversten aan haar  vroegere medezusters, (ook die uit de missie, met wie ze jaren had samengewerkt, en die ondertussen wel al eens naar ’t moederland mochten komen) streng  verboden haar ooit in de Karmel een bezoek te brengen. Ze werden behekst door  een panische schrik, dat haar voorbeeld navolging zou krijgen. Ondertussen mogen we wel verklappen dat de zusters die uit de Kongomissie kwamen, haar toch  stiekem een verboden bezoek brachten!

Hoe reageerde men in de Missie?

We kunnen het samenvatten in twee woorden: verrast, maar niet verwonderd.  Verrast was men, wegens het ongewone en overrompelende karakter van het  besluit. Grote verwondering baarde het evenwel niet, omdat iedereen wist hoe zuster Magda steeds een hyperactief missieleven en een steeds parate dienstvaardigheid voor iedereen, had weten te verzoenen met een intens contemplatief gebedsleven. Om dit toe te lichten weze het toegelaten nog enkele regels aan te halen uit het reeds vermelde schriftje “Adhuc Visio in Terra” van de naamloze pater X.

“Zonder devotioneel gedoe, maar in de stille kapel intens, weg, opgeslorpt,  verloren, weggetrokken in de diepe geheimen van de gebedshalle, alleen met haar  God, alleen, onbeweeglijk en toch bij de stilste vraag naar iets, bij de pluimigste tik op de schouder, dadelijk geheel en al ten dienste van iedereen…” – “Zij zag GOD: in haar colonies, in de bloemen, in heel de natuur, in de vogelen, in  de meisjes en de jongens, in het personeel van de missies, van heel de missie, in elk mens, overal, altijd, in bidden en boeten, in gesprek met de BLIJE liefde, God.  …Zij droeg God en God droeg haar en daarom was niets haar te veel… Zij kon  omhoog wieken naar de reine sferen van het contemplatief gebed, en toch  praktisch met haar twee voeten op aarde en de geest in de onzichtbare wereld.”
Zelf heeft ze me ooit in een schrijven toevertrouwd, dat ze eigenlijk altijd had  verlangd naar een contemplatief kloosterleven, maar dat ze haar eigen “liever” opzij  had gezet omdat anderen oordeelden dat het beter was zich in te zetten  voor het missie – apostolaat.

Het verdere leven in de Karmel

Het was nog wel een missieleven, maar niet meer een leven in de Missie. Daarom laten we het bij een korte samenvatting.
Het moet ongeveer einde 1946 geweest zijn toen ze terug naar het moederland  kwam. Na de talloze moeilijkheden die zich voordeden overwonnen te hebben,  trad ze toe tot de Karmel van Mechelen in het voorjaar van 1947. Haar Plechtige Professie als Karmelietes had plaats op 3 oktober 1948.

Hoewel ze nu haar contemplatieve roeping helemaal kon beleven, werd het Zuster Magda toch niet gegund om in het Karmelietessenklooster een stil en anoniem leven te leiden.
Na dertien jaar Karmelleven werd ze tot novicenmeesteres benoemd, en haar  medezusters kozen haar tot priorin in het jaar 1969, wat ze nogmaals deden in 1972 en in 1975. Deze functie vervulde ze dus ononderbroken van 1969 tot 1978.

Ondertussen gaf ze bijbel – en vormingslessen voor de communiteit en organiseerde ze gebed- en bezinningstonden in de kapel voor de vele  kapelbezoekers. De pater Provinciaal van de Karmelieten verzocht haar om die lessen ook te gaan geven in de “Karmel van de Troost” te Vilvoorde, al moest ze  daarvoor dus het kloosterslot verlaten.

Een nieuwe wende in haar leven deed zich voor toen de Zusters van Vilvoorde  haar unaniem tot priorin kozen. Op verzoek van de Provinciaal om dit ook te  aanvaarden, verhuisde ze naar Vilvoorde op 18 december 1978. Ze moest er de  contemplatie weten te verzoenen o.m. met de restauratie van klooster en kerk. Ze bleef priorin van het Vilvoordse klooster tot een paar maand voor haar dood.

Al die tijd van haar Karmelietessenleven heeft ze te worstelen gehad met tropische aandoeningen. De amoeben(1) bleven haar hardnekkig plagen. Bepaalde klieren verdroogden “Ik kan niet meer schreien”. Toch bleef altijd de bezieling en het vuur bleef branden tot het, hier op aarde, uitdoofde op 13 oktober 1985. Alle ongemakken en de vele arbeid ten spijt haalde ze dus toch de leeftijd van 76 jaar.
(1) Amoebe :slijmdiertje, ééncellig dier van de klasse der wortelpotigen.

Sidebar