Fernand Bourlet

In 1906 verscheen bij de “Impremerie Centrale” – Albert Bouchery- te Oostende, het boek “Notre Mer du Nord” van de auteur Fernand Bourlet. Op de bladzijden 240 en 241 van de 300 blz. tellende gedichtenbundel beschreven in het Frans, staat een gedicht gewijd aan Leffinge : “LEFFINGUE” (paysage).

Deze bombastisch geschreven gedichten (ruim 180) moeten de lezer een beeld ophangen van “les beautés naturelles”. Van landschapbeschrijvingen tot stadsgezichten, de dichter voert ons van de zee naar het strand, van de winter naar de zomer, van de mens naar de natuur.

In zijn voorwoord pleit de schrijver voor de schoonheid van onze Noordzee en de kust. Naast de vingeropstekende roep tot de jeugdigen, probeert hij zich te verantwoorden , waarom hij onze Vlaamse kust een warm hart toedraagt. Dit alleen is al een bezinning waard. Even citeren ter illustratie:

“… nous aimons cette mer – si belle – comme notre terre nataleaux sites pittoresques …”

“Moritrons- à  nos jeunes gens – pour qu’ils comprennent les mystères en la grandeur , …”

“Que nos écoliers fassent de notre mer, de la mer, une étude minutieuse.       Ils se rendront compte …”

“…notre jeunesse, sans faux sentimentalisme, doit avoir l’ame excitée sans cesse par la vue des merveilles de la mer”

Een vat vol ernstige en idialistische smeekbeden, doch de verheerlijking van deze parel der natuur ging de vernieling in door de zwaarlijvige, Franse omfloersingen. Het ontbreekt aan natuurlijke frisheid. Ook wij zien nog steeds de koeien als goedzakkige melkvoortbrengers, dommelend in het gras als tijdloze goden. Deze zware taal dommelt als een zinkend schip. Ook de moraal is er, kweilend uit eigen mondhoeken, de laatste verzen omzwachtelend

” Ami , que tes yeux ne restent pas clos, Goûte longuement ces douces merveilles “ .

Dit gedicht in zijn tijd, is een typische uitdrukking van natuurgeschreven poëzie “ä la …”. Een puur afkooksel van hoe het moest. Niettegenstaande blijft het de moeite waard tot lezen. We kunnen in de beschrijvende verzen het landschap van Leffinge (elk ander landelijk dorp zou evengoed passen als titel) de Pallietertrekken (waarom niet?) van Timmermans terug vinden! Vergeef mij voor deze vergelijking .

Het omzetten van “LEFFINGUE (paysage)” (bedenking: moet het of moet het niet?) is dan ook niet zonder gevaren. Het moge slechts een schuchtere poging zijn tot … vrije vertaling. Misschien kon het door een ander veel intenser, gevoeliger omgezet worden.

Eindigend laten we nog even de schrijver aan het woord, ter bezinning!

”  Nous  te  vénérons ,  petite  et  souriante  Belgique ,  en  dépit ,  des bandes politiciennes et des  “maffias”  de  partis  visant ,  par  des  moyens malpropres , à obtenir  le pouvoir  et  “l’assiette  au  beurre” en  étouffant  les  initiatives  de   l’individu   qu’isole sa fierté !”

 

L E F F I N G U E ( paysage )

Le canal ! une eau de limpidité
Ou l’ azur se mire, ou glisse la nue
D’ un éclat plus doux et mieux argenté:
De grands peupliers la double avenue
court, en ligne droite, à l’ horizon clair
Rejoindre, le long des berges verdies.
Des arbres, tordus par les vents de mer
Aux courbes fuyant, molles, arrondies
Ainsi qu’ une estampe au trait velouté.
Dans la plaine vaste, au loin diminue
Le canal, une eau de limpidité
Ou l’azur se mire, ou glisse la nue.
Des troupeaux de boeufs, dans l’herbe plongés
Ruminant, pensifs comme des dieux termes
Sous les chauds rayons paraissent figés.
Le tâche rougeâtre ou blanche des fermes
S’étale, au-delà des grand peupliers
Des moulins drapés de lierre et de mousse.
Ronronnant, joyeux ; un tas d’écoliers
A rousse tignasse, à rose frimousse,
Fait un bruit du diable au fond des vergers.
Le soleil marbrant leurs bruns épidermes.
Des troupeaux de boeufs, dans l’herbe plongés,
Ruminant pensifs comme des dieux termes.
Sur les tournesols, larges, des enclos,
En essaims goulus, des grappes d’abeilles
Butinent le miel; l’ajone, sur les eaux,
De susurrements remplit les oreilles
Un clocher pointu chante l a gaîté
Du sol en travail, grâce à l’eau fidèle,
Aux souffles féconds des midis d’ été,
Tandis qu’en criant, passe l’hirondelle,
Ami, que tes yeux ne restent pas clos;
Goûte longuement ces douces merveilles,
Quand les tournesols, larges, des enclos,
Ouvrent leurs seins d’or aux grappes d’abeilles.

 

L E F F I N G E ( een landschap )

Het kanaal ! Een vloed van helderheid!
Waarin een azuurblauwe hemel zich spiegelt,
Waarin de wolk voorbij glijdt
als een zachtere, verzilverde uitbarsting
waar grote populieren een dubbele laan vormen,
kort, in rechte lijn, aan een heldere horizon,
zich samenvoegend, langs de groenende bermen,
bomen, verwrongen door de zeewind,
aan de vluchtende kronkels, week en afgerond,
net een stempel met een fluwele trek,
in de uitgestrekte vlakte, verkleinend naar de verte
Het kanaal! Een vloed van helderheid!
Waarin een azuur blauwe hemel zich spiegelt
waarin de wolk voorbij glijdt.
Kudden runderen, dommelend in het gras,
herkauwend, verzonken in gedachten als tijdloze goden.
Onder de warme zonnestralen schijnen ze te stollen,
de rood- bruine of witte vlek van de hoeven
stalt zich aan de overzijde van de grote populieren uit,
de molens bekleed met klimop en mos,
snorren heerlijk,
een groep schoolkinderen
met rossige haardos, met roodbolle gezichten,
maken een duivels geluid achterin de boomgaarden,
en de zon verschroeit hun bruingetaande ledematen.
Kudden runderen, dommelend in het gras,
herkauwend, verzonken in gedachten als tijdloze goden.
Op de zonnebloemen, breed als afgebakende erven,
in gulzige drommen, trossen bijen.
Zoekend naar de honing, de gaspeldoorn op het water
vult onze oren met zijn geritsel.
De aangepunte klokketoren zingt de vrolijkheid uit
van de zwoegende aarde, dankzij het trouwe water
met de vruchtbare verzuchtingen van zonovergoten middagen.
Ondertussen overvliegt de zwaluw schreeuwend de grond.
Vriend, mogen je ogen niet gesloten blijven,
smaak langzaam deze zachte heerlijkheden.
wanneer de zonnebloemen, breed als afgebakende erven
hun gouden schoot voor de bijenzwermen openen

Sidebar