De broers Devriendt

Die twee Broeders en broers vormden een zo innig broederpaar dat het bijna een belediging voor hen zou zijn ze van mekaar te scheiden. Ze waren zonen van Laurent Devriendt-Vanhoeteghem, die een broer was van mijn grootvader langs moederszijde, Philip Jacob (in de wandeling Pieter) Devriendt-Faict, en dus  kozijnen van mijn moeder Eugenie Devriendt (echtgenote Jozef Hosten). Hun vader Laurent werd door mijn moeder nooit anders genoemd dan “Lauwen-oom”. Hij boerde op een hoeve langs de Zevekotesteenweg. Overigens, het krioelde in Leffinge van Devriendt’s. Laurent had niet alleen als broer mijn grootvader, die boerde op het Fleriskot en 15 kinderen had, allemaal Devriendt; hij had op zijn beurt een stel kinderen waarvan er drie bleven boeren te Leffinge, nl. Louis  Devriendt-Vandecasteele die op de vaderlijke hoeve bleef, Henri Devriendt-Depoorter (die ook een zoon missionaris zou hebben) en August Devriendt-Goderis, die allemaal ook weer een stel kinderen hadden, allemaal Devriendt.

Keren we nu terug naar de twee broers missionarissen, die in de familie en op het dorp altijd in één adem werden genoemd: “Vincent en Pito”. Ze verschilden in leeftijd niet meer dan een goed jaar; ze werden allebei broeder Norbertijn in de Premonstratenzerabdij van Averbode; ze trokken naar dezelfde missiepost in Brazilië, nl. te Petropolis (niet zover van Rio de Janeiro) waar ze samen werkzaam waren in dezelfde onderwijsinrichting.

Pieter Devriendt

Pieter Devriendt Hij werd geboren te Leffinge op 8 april 1880. Hoewel de jongste van de twee, trad hij het eerst in ’t klooster. Hij ontving het Norbertijnenhabijt in de abdij van Averbode op 26 oktober 1908, en werd broeder Bruno… Hij begon dus zijn noviciaatsjaar toen hij 28 en een half jaar oud  was. Maar toen gebeurde iets wat een pater van Averbode me verzekerde een uniek feit te zijn in de annalen van de abdij.

Averbode was reeds werkzaam in de missiën van Brazilië sinds het jaar 1896. In 1909 ontvingen zij vanwege het episcopaat het dringend verzoek te Petropolis een jongenscollege te willen overnemen van de paters Lazaristen, die het gesticht hadden in 1890. Hiervoor was volk nodig, ook een handige en bekwame broeder. Broeder Bruno leek de geschikte man … maar, hij was nog maar ongeveer midden in zijn noviciaat, en de regel was dat geen enkel kloosterling naar de missie mocht vertrekken voor het einde van zijn noviciaat, dat ten minste een vol jaar moest duren. Broeder Bruno, ondertussen 29 jaar geworden, was alle jeugdige romantiek reeds degelijk ontgroeid, en hij was zo een voorbeeldig kloosterling, dat zijn oversten helemaal niet moesten vrezen dat hij zich na zijn proefjaar terug zou trekken. Per grote uitzondering mocht hij nog als novice vertrekken naar het college van Petropolis op 9 juni 1909. Op 11 juli 1910 legde hij er de kloostergeloften af.

Leven in Brazilië

In vele orden en congregaties, ook bij de Norbertijnen lag, zeker in die tijd, de taak van de lekenbroeders op het gebied van de velerhande vormen van  handarbeid. Zodoende maakten ze het voor de paters mogelijk zich integraal te wijden aan de bezigheden van studie en apostolaat. In het college van Petropolis had men echter al spoedig opgemerkt dat broeder Bruno niet alleen geschikt was voor handarbeid, maar dat van hem een invloed uitging op het jong studentenvolkje. Er volgde een tweede uitzondering op de algemene regel. Hij werd benoemd tot bewaker van de jongere studenten. Hij was dus altijd bij hen in het studielokaal, de refter, de recreaties, de slaapzaal, moederlijk goed en vaderlijk streng.

Waar broeder Bruno was, was gezag en orde, en tegelijkertijd had hij de sympathie van iedereen.

Tijdens de lesuren evenwel was het schaven en timmeren en zagen tot de bel hem terugriep naar zijn jongens. Jaar in jaar uit heeft broeder Bruno dat gedaan tot in het jaar 1954.

Terug in België

Na maar eventjes 45 jaar Brazilië, keerde hij op 74- jarige leeftijd terug naar zijn abdij te Averbode, waar hij zich nog gedurende tien jaar nuttig wist te maken voor de gemeenschap en in het ziekenapostolaat. “Terug in de abdij ‘om te rusten’, bleef hij de rusteloze werker in dienst van de gemeenschap”, zo staat het op zijn doodsprentje, waar we ook nog dit lezen: “… had men problemen, die opgelost konden worden door zijn grote vaardigheid in allerlei knutselwerk, nooit klopte men dan vergeefs bij hem aan.” Hij wordt er beschreven als de “edelmoedige en blijmoedige lekenbroeder”.

Voor de verzorging tijdens zijn laatste ziekte werd broeder Bruno overgebracht naar de St.-Norbertuskliniek te Duffel, waar hij stierf op 14 oktober 1964.

Vincent Devriendt

Hij werd geboren te Leffinge op 19 februari 1879. Een goede drie maand na zijn jongere broer ging ook Vincent binnen te Averbode, waar hij het  kloosterhabijt ontving op 9 februari 1909 (hij zou weldra 30 jaar worden) en broeder Romualdus werd. Op 22 november 1910 vertrok hij als missionaris naar Brazilië en voegde er zich bij zijn broer in hetzelfde college te Petropolis.

Leven in Brazilië

Daar was hij de man van alle stielen. De paters die hem daar gekend hebben, getuigden allen: “dat is nu eens echt een man die alles kan”. Hij was er  naargelang van de noodwendigheden loodgieter, smid, bouwmeester, timmerman, metselaar. En wanneer grote feestelijkheden of andere gebeurtenissen van formaat op touw gezet en georganiseerd moesten worden, was het broeder Romuald die alles regelde en dirigeerde. Succes altijd verzekerd. Iedereen die ooit missionaris was in een onderontwikkeld land weet wat zo iemand daar waard is.

De samenwerking van de twee broers in Brazilië duurde 28 jaar. Broeder Romuald stierf in het college te Petropolis op 2 april 1948. Ze zijn dus echt samen gebleven tot de dood hen scheidde. Op het gedachtenisprentje van zijn overlijden wordt over hem getuigd: “Door vurig gebedsleven en offervaardige arbeid heeft hij in Brazilië het apostolaat zijner medebroeders krachtdadig gesteund en het Rijk van Christus verspreid”.

Enkele persoonlijke herinneringen

Onder vage vorm is het mij altijd bijgebleven dat de twee broeders Devriendt eens uit het verre land teruggekeerd moesten zijn, en een bezoek brachten bij ons thuis, dus bij hun nicht mijn moeder, Eugenie Devriendt. Missionarissen hadden altijd wel een of ander sterk verhaal. Ik moet nog een heel klein ventje geweest zijn… maar één verhaal is me steeds bijgebleven, hoewel ik helemaal niet weet of de broeders dat zelf vertelden of vader het erbij fantaseerde om ons te boeien. In elk geval, het luidde zo:

dat ginder in dat verre land waar Vincent en Pito verbleven, er bergen waren, zo hoog, dat ze, als ze op de top van de berg stonden, hun handen konden
wassen in de wolken…In mijn kinderlijke fantasie heb ik ze vele malen allebei op de bergtop zien staan, en even boven hun hoofd hun handen al wrijvend zien wassen in de wolken, die dus een soort van zeer hoog drijvend water moesten zijn.

Veel veel later heb ik tot mijn tevredenheid kunnen vaststellen dat die “overkomste” en dat bezoek van de broeders aan Leffinge, en meteen bij ons thuis, wel degelijk echt geweest zijn. Ik vond namelijk in moeders nalatenschap van doodsprentjes ook het prentje van de moeder van Vincent en Pito, Christina Vanhoeteghem, weduwe van Laurentius Devriendt.

In het vaarwel aan hare “dierbare kinderen en kleinkinderen” die het prentje haar laat uitspreken en haar verzoek om gebeden lezen we “…Gij vooral, mijne teergeliefde Zonen, die u als zendelingen aan God hebt toegewijd, en die ik nog het geluk had een laatste maal te zien vooraleer te sterven…” Ze stierf op 10 mei 1921, ik was een dreumes van vier en een half jaar oud. Treffende gebeurtenissen op die leeftijd kunnen reeds beklijven in ’t geheugen.

Pieter, of broeder Bruno, verliet de Missie en keerde terug naar de abdij te Averbode in 1954. Ik was al meer dan tien jaar priester. Meermalen ging ik hem  bezoeken te Averbode, wat hij zeer op prijs stelde, ik was immers ook Leffingenaar en de zoon van zijn nicht. Wat mij van bij de eerste ontmoeting opviel was, hoe hij op en top een echte Devriendt was. Hij had best de broer kunnen zijn van mijn moeder en mijn andere ooms-Devriendt. Dezelfde manier van
gaan en staan en van praten met dezelfde gebrouwde R. Hij was een buitengewoon vriendelijke en minzame man. Ik ben ook naar zijn begrafenisdienst geweest in de abdijkerk van Averbode in 1964, en telkens wanneer ik te Averbode kom, ga ik tot een eindje voorbij de ingang van de abdij waar links het kerkhof van de kloosterlingen ligt, en mijmer even biddend bij zijn graf. In het leven waren de broers altijd zo dicht bij mekaar, maar tussen hun grafstee ligt een oceaan.

Sidebar