Albert De Jonghe

Ons ligt nog vers in het geheugen het overlijden van de laatste uit dat oersterke ras van ‘coureurs’, die in barslechte omstandigheden de Europese grint- en bobbelwegen doorkruisten.

Meubelmaker wordt renner

Berten Dejonghe was een geboren en getogen Middelkerkenaars, schrijnwerker van beroep, doch door de koerslust gegrepen van toen hij zestien was.

In 1913, toen hij 19 was, werd hij al prof bij de Franse ploeg ALCYON. “Het ergste wat ons toen kon overkomen was een onherstelbare breuk. Een nieuwe fiets of een onderdeel mocht niet worden gegeven, noch door een ploegmakker noch door de sportdirecteur. In die heldentijd van de wielrennerij gingen vele renners zelf in een smidse een gebroken kader of vork lassen. Maar ik was meubelmaker en geen smid!”.

De omloop van de slagvelden

Dat het de renners toendertijd niet makkelijk werd gemaakt, bewijzen Bertens avonturen tijdens de omloop van de slagvelden in 1919, ongetwijfeld zijn slechtste ervaring. Deze koers, de eerste grote wedstrijd na de oorlog, was in die tijd de meest omstredene en werd overigens maar één keer georganiseerd. In vijf ritten werden de frontstreken van de wereldoorlog in België, Frankrijk en Luxemburg doorkruist.

Op menige plaats waren de rijwegen opengebroken en die moesten de renners door geulen en sloten of over opgevulde loopgraven en granaatputten.

Na drie zware ritten stond Berten eerste in de algemene rangschikking.

De vierde rit ging van Brussel naar Amiens. Het weer was barslecht.

Berten ging in de aanval, maar Ritten van Lerberghe ramde zijn achterwiel: verschillende spaken braken en Berten moest tussen Pollinkhove en Lo een smidse binnen om zijn fiets te herstellen. Zo verloor hij twintig minuten op Karel Deruyter, en nog vijf andere renners reden voor.

Het werd donker en het regende zonder ophouden. Berten reed als een bezetene en geraakte in tweede positie.

Maar net voorbij Douai reed hij in een obusput, brak zijn vork en moest opgeven. Karel Deruyter won de rit en meteen ook de omloop. Maar over de wijze waarop hij in Amiens is aangekomen, bleef heel wat twijfel over bestaan:

Niemand heeft de rit treffender beschreven dan sportjournalist Karel van Wijnendaele:

“Het regende slagwater. De wegen zijn doorweekt. Albert Dejonghe aan de leiding. Hij voert een geweldig tempo. Kwestie van zich te verwarmen. De tegenstrevers volgen in een lange reke. ’t Slijk en ’t Water spettert hen tot boven het hoofd. Ze hebben ’t koud. Ze bibberen. Ze zijn moedeloos. Maar ze rijden voort, strak voor zich uitkijkend, lijk menschen die geen uitkomst weten of zien. “k zie zenog toekomen, even voorbij Rijsel, één voor éé: De Ruyter, Verstraeten, Anseeuw, Van Lerberghe, Duboc, Chassot, Dejonghe, Vande Velde, Lucien Buysse en zoveel anderen. En ‘k sprak hen woorden van aanmoediging toe, want ik zou huiswaarts keeren. Zij moesten voort, voort door die regen, die modder dat slijk, die geulen en die goten.

’t Begon te donkeren. Geen mensch op de straat, geen huizen om onderdak te zoeken. Niets dan houten barakken met Anemieten en andere kleurlingen uit de Franse koloniën, die hier aan ’t werk waren voor den heropbouw.

Op de kruisstraten moesten de renners op de palen kruipen om de opschriften te lezen en te vernemen waar ze heen moesten, rechts of links! Het was verschrikkelijk, en toen we huiswaarts keerden , met den wind die voort huilde en de regen die pletste, toen herhaalden we ’t gedurig bij ons eigen: Neen, ’t is niet meer menschelijk!”.

Parijs-Roubaix 1922: het hoogtepunt

Bertens roemrijkste wedstrijd was Parijs-Roubaix die hij in 1922 met zeven minuten voorsprong won, een record dat tot op heden niet verbeterd werd. Nochtans had hij de week voordien de ronde van Vlaanderen niet meegereden wegens een verkoudheid en het was enkel op aandringen van zijn sportdirecteur Baugé dat hij zich naar Parijs had begeven. “Ik ben hier en ik ga natuurlijk starten, maar ‘k voel me werkelijk niet te best, en het zou me erg verwonderen als ik verder zou geraken dan Arras”, zo vertelde hij aan Baugé.

Tussen Amiens en Doulens zoch Henri Pélissier te ontkomen, in het gezelschap van Brunier. Berten hen achterna! Een vierde renner Lacquehaye, tikte even later aan. Berten die voor ALCYON koerste, stond alleen tegen drie renners van constructeur JB Louvet. Na de beklimming van de Doulens demarreerde Berten: “Uitsluitend om ze bang te maken en te willen zeggen: ik ben sterk genoeg alléén om het tegen u op te nemen. Terwijl ik eigenlijk geen andere bedoeling had dan Henri Pélissier over te halen om mij in hun groep op te nemen en met samengepakte krachten de tegenaanval der achtervolgers af te weren”.

Pélissier kreeg een inzinking en moest lossen. Later gaf hij op. Berten won tegen een gemiddelde van 34 km/u, in die tijd een record over zo’n afstand, al geven we toe dat hij mocht profiteren van een sterke rugwind.

Parijs-Tours: driemaal pech

Nadat de favoriet Henri Pélissier en diens uitdager Constante Girardengo de strijd hadden gestaakt, kwamen de Fransman Eugène Christophe en Berten Dejonghe alleen op kop. Berten voelde zich reuzesterk en was haast zeker van de overwinning. Maar door de onophoudende regen was zijn ketting uitgerokken en gleed van het kamwiel, zodat hij de laatste kilometer al ‘trottinettend’ moest afleggen. Hij eindigde nog derde.

In Parijs-Tours 1921 moest de aan de leiding fietsende Berten , in de snijdende kou en bijtende sneeuw, een nieuwe tube opleggen. Dat kostte hem een half uur. Wat later kreeg hij weer een lekke banden had geen reservetube meer: met lekke band sukkelde hij naar de eindmeet, waar hij als vierde over de streep kwam.

van links naar rechts: Decoste, Jusseret, Colleu, Flahaut en Berten Dejonge

De Ronde van Frankrijk

Toen Berten Dejonghe in 1914 voor het eerste aan de Tour de France deelnam, en wel bij de onverzorgden, liet hij zich reeds opmerken als een goed klimmer, maar door tegenslag moest hij de strijd staken. Ook in de jaren 1919 en 1924 reed hij de ronde niet helemaal uit, hoewel Henry Desgranges hem in 1922 als favoriet vooropstelde. Pas in 1925 liet Berten zich ten volle gelden: in verschillende ritten kaapte hij een ereplaats weg en in de eindstand werd hij de vijfde.

Het jaar daarop schreef Henri Desgrange:

“Ik zou willen dat Dejonghe de ronde van 1926 wint, al was het maar omdat ik altijd in hem een groot kampioen gezien heb.”

Het werd een ronde van 17 ritten met niet minder dan 30 cols. Sommige ritten waren langer dan 400km: dan vertrokken de renners midden in de nacht om pas de volgende avond aan te komen!

Aan de voet van de Pyreneeën stond Berten tweede in het klassement, na zijn ploegmaat van Slembrouck. Hij voelde zich sterk en was ervan overtuigd dat hij de ronde zou winnen. In de bergetappe Bayonne-Luchon, die 326km door de Pyreneeën toerde, zou Berten ten aanval overgaan, en wel op de col d’Aubisque. De renners starten om middernacht en om zes uur zagen ze Aubisque hemelhoog zich boven hen aftekenen. De stortregen herschiep de niet-geasfalteerde wegen in een slijkerige poespas, vol geulen en keien.

Te Eaux Bonnes moesten de renners persoonlijk de controlelijst tekenen – Berten was er het eerst samen met Nikolaas Frantz. Maar toen zij op de top aankwamen, vernamen zij dat Omer Huysse en Lucien Buysse al zes minuten gepasseerd waren. Aan de voet van de Tourmalet haalde hij Lucien Buysse in, maar deed een ‘krak’ op, die hem de rit en de Ronde kostte.

Tour de France 1925: Martin, Berten Dejonghe, Christophe

Einde carrière

Verbitterd over de manier waarop hij meende dat Buysse voorop was geraakt, besliste hij een punt te zetten achter zijn wielrennersloopbaan. Hij deed nog uit contractuele verplichting mee aan het Belgisch kampioenschap, waarin hij na een demonstratieve ontsnapping de strijd staakte.

Berten nam zijn vakmanschap als schrijnwerker weer op en vervaardigde badkarren om ze op het strand te verhuren, terwijl zijn echtgenote in de Smet de Naeyerstraat een kleerwinkeltje openhield. Daar hebben ze al die jaren geleefd.

Hoogtepunten uit een rijke carrière

1913: derde in de ronde van België voor onafhankelijken (met rit van 600km)

1914: achtste in Parijs-Brussel

1917: zevende in Parijs-Tours

1919: moreel overwinnaar in de omloop der slagvelden, doch opgave na fietsbreuk. 5de in de Ronde van Vlaanderen. Derde in Bordeau-Parijs.

1920: tweede in de Ronde van Vlaanderen. Derde in Parijs-Tours. Tweede in de Ronde van België.

1921: een tijdlang derde in de Ronde van Frankrijk, maar opgegeven na een zonnesteek. Vierde in de ronde van Vlaanderen, vierde in Parijs-Tours.

1922: eerste in Parijs-Roubaix

1923: derde in de Ronde van Vlaanderen. Vierde in Bordeaux-Parijs

1924: vierde in Parijs-Tours, vierde in Bordeaux-Parijs.

1925: zevende in de Ronde van Vlaanderen. Vijfde in de Ronde van Frankrijk.

1926: vierde in Bordeaux-Parijs. Lange tijd tweede in ronde van Frankrijk.

Uit Graningate 1981 jg 1, nr 1 – pg 28

Karel van Wijnendaele over Berten Dejonghe

Albert Dejonghe heeft een lange en heerlijke loopbaan gehad. Hij zou anders een zeer groot renner zijn geweest en de weerdige tegenhanger van zijn tijdgenoten Vermandel en Van Hevel, maar jammer genoeg faalde het hem aan dat beetje snelheid bij den sprint, waarmee men van beste renners overwinnaars maakt. In kunde is ’t verschil bitter klein, maar des te grooter in uitslagen. ‘k heb meer dan eens gezien dat Berten Dejonghe de bewerker was van een zege die door Vermandel of Van Heuvel werd veroverd, om er nu maar twee te noemen.

Niemand die op een meer typische wijze de eigenlijke kunde van Berten Dejonghe heeft getekend dan Odiel Defraeye en Mercel Buysse het deden. ’t Gebeurde tijdens de ronde van Frankrijk van 1913:

Tusschen de deelnemers bevond er zich een eigenaardig figuur. Een groote, struische kerel, brave jongen, niet al te klapachtig, maar gemoedelijk en gemeenzaam. Z’n haar was blond lijk ’t zand van de zee en en z’n oogen blauw lijk den kappe van de hemel. Hij was noch grootsch noch begeerig, en toch was hij iemand, toch kon hij iets. Hij vroeg niet om beboft of geprezen te worden, hij wist dat hij iets kon en was tevreden met wat hij was.

Hij was zelden of nooit bij de voormannen ter aankomst; van aanmoedigde toejuichingen of opbeurende lofwoorden wist hij niets. Of kreeg nooit zijn deel. Op de weg verrichtte hij ’t peerdewerk, hielp zijn strijdmakkers die hem beloonden; daarmee was hij tevreden, dat was genoeg.

En nochtans, zegde Defraeye, hij kon rijden. Bij poozen was hij zoo goed als de beste, om niet te zeggen beter. Wilt ge een bewijs? Ik heb een bandongeval en verlies enkele minuten met het herstellen. De hoofdgroep gaat snel en ‘k geraak en niet op. De ‘blonde’ heeft het bemerkt dat ik niet bijkom en hij wacht. Komaan, Odiel, pak mijn wiel! En een locomotief gelijk, stoomt hij vooruit. Verscheidene keren heb ik moeten roepen: niet zo snel! En in minder dan een half uur zat ik bij den hoofdgroep.

Mercel Buysse kreeg van ’t zelfde laken een broek. Toen de blonde met Defraeyne bij de leiders kwam, bemerkte hij dat de ‘krullekop’ ontbrak. Hij verneemt dat hij kreveerde en wacht op hem.

Wat ik ook deed, ik kreeg de leiders iet en nochtans ging ik goed en ‘k reed dat ik scheef zat. De ‘blonde’ neemt me op sleeptouw en in enkele minuten trekt hij mij op de hoofdgroep. Meer dan eens moest ik roepen ‘wat trager!

En die blonde, met zijn blauwe ogen, die held zonder glorie, was niemand anders dan Albert Dejonghe uit Middelkerke.”

Sidebar