Politiekorps Middelkerke

Het gemeentebestuur van Middelkerke kreeg ongevraagd een toeristische roeping in de schoot geworpen. De badplaats werd immers opgestart als een private onderneming, maar na de faling van die plaatselijke promotiemaatschappij diende het bestuur vanaf 1883 zelf in te staan voor de verdere uitbouw van de badzone. Eén van de uitdagingen was de veiligheid verzekeren van de toeristen en hun eigendom zowel tijdens als buiten het toeristisch seizoen. Middelkerke had in de negentiende eeuw maar één politieman, dit in de persoon van een veldwachter en dat was niet voldoende na de uitbreiding van Middelkerke-aan-zee.

 

Om het bijkomende werk dat het toerisme met zich meebracht aan te kunnen, werd in het najaar van 1893 overgegaan tot de benoeming van een commissaris en de keuze hiervoor viel op Eugeen Alberic Pattyn, geboren in 1867 en woonachtig te Kortrijk. De commissaris streefde van bij zijn aanstelling naar een uitbreiding van zijn kleine korps, maar uit bewaard gebleven briefwisseling tussen burgemeester en commissaris blijkt dat dit niet zo vlot verliep.

Middelkerke wordt opgeschrikt door winterdiefstallen

Het verhaal begint in de winter 1894-1895; toen werd Middelkerke opgeschrikt door een golf van diefstallen in de onbewoonde zeedijkvilla’s. Maar liefst 24 dergelijke gevallen werden vastgesteld vooraleer de politie de daders uiteindelijk kon vatten. Meteen werd gedacht aan nachtpolitie en hiervoor werd een officieuze enquête gehouden onder de eigenaars met de vraag om de kosten voor deze extra bewaking te verdelen onder de belanghebbende particulieren. Dat lukte evenwel niet en het voorstel werd opgeborgen.

In de periode oktober, november en december 1902 werden evenwel weer diefstallen vastgesteld, namelijk 7 gevallen, en het idee werd door de commissaris hernomen:

‘In onze zustersteden, b.v. gelijk in Heist, wordt er, ten einde de kosten ervan te dekken eenen belasting geheven op al de gedurende zekere wintermaanden onbewoonde gemeubelde villas en huizen’.

Het korps wordt uitgebreid

In 1904 werd er door de commissaris nogmaals op gewezen dat het werk in de badzone zodanig toegenomen was dat ‘Om een voldoende waakzaamheid over de gansche badplaats te kunnen uitoefenen, is het noodig dat Gy het getal tydelyke politieagenten verdubbelt. Zulks is hoogst noodzakelyk, wilt Gy, dat onze badgasten op eene behoorlyke manier worden beschermd en dat Middelkerke, zyne goede faam van “Plage de Famille” behoude’.

Het aantal zomeragenten ten belope van 2, met daarbij nog de veldwachter, was inderdaad aan de krappe kant.

Interessant is ook dat in die brief diverse argumenten worden aangevoerd om de vraag te ondersteunen: het aantal ‘vreemdelingen’ ten belope van 12.333, het toenemend gebruik van auto’s en dergelijke en het groot aantal kinderen onder de vakantiegangers zijn daarvan de voornaamste.

De commissaris kon blijkbaar het gemeentebestuur nu wel overtuigen van de noodzaak van het systeem van nachtpatrouilles en vanaf 1 januari 1905 werden bijkomend vier nachtwakers tijdens de winter en twee tijdens de zomer ingezet. Maar de commissaris was niet tevreden en vroeg meteen voor zichzelf een bijkomende vergoeding aan voor het extra werk dat dit met zich meebracht en dat viel niet in goede aarde en werd prompt geweigerd.

Taken van een beginnend politiekorps

Het jaar 1905 blijkt een problematisch jaar geweest te zijn. Vooreerst waren er de klachten, ondermeer van het casino over het mechanisch orgeltje dat speelde tot 9u30 en zelfs tot 10 uur en op die manier de bezoekers aldaar weghield. De commissaris antwoordde dat hij hieraan weinig kon doen, omdat het lastenboek geen sancties vermeldde bij het niet naleven van die bepaling.

Een ander nijpend probleem was dat van de ‘rondleurderij’ dat volgens de commissaris als echte ‘plagerij’ dient beschouwd te worden omdat:

‘Hoeveel aan ’s lands vreemde personen , van alle nationaliteiten en waaronder vele der gemeenste soort, komen hier niet, zelfs op eene oneerlyke manier, aan de gehuisveste neringdoenders, die hooge pachten en lasten te betalen hebben, concurrentie maken. Van wegens de badgasten zelfs, heeft zy algemeene klachten doen opryzen.’

Een belangrijke zorg kwam voort uit het toenemend autoverkeer. Ondermeer de toeristisch woordvoerder bij uitstek, Oscar Dapsens uit Doornik schreef in dat verband op 6 juli 1905 een brief aan de burgemeester om dat gevaar te melden en meteen te wijzen op het gebrekkig optreden van de beide tijdelijke politieagenten. Nochtans was er in 1904 een bijkomend verkeersreglement op de ‘automobiles’ uitgevaardigd en dit specifiek ter bescherming ‘du grand nombre d’enfants en villégiature à la plage’.

De commissaris die hierover om uitleg werd gevraagd, haastte zich om te stellen dat twee politieagenten volstrekt onvoldoende zijn om deze zeedijk te bewaken en ‘dat, de tydelyke politieagenten …, geenszins genoegzaam de fransche taal machtig waren om zelfs een klein gemeenzaam gesprek te houden en dat zy, om deze reden, aarzelen, vooral, de overtredingen nopens het politiereglement over de automobielen te bestatigen.’

De hoge ambtenaar vergelijkt de situatie opnieuw met ‘ander badsteden, namelyk, dezen, van Heyst-aan-zee, badstad aan dewelke, Middelkerke, het best mag worden vergeleken, heeft niet twee, …acht tydelyke politieagenten…’

Na het seizoen werd dan in oktober een golf van diefstallen van ‘zinken afleidingsbuizen’ van de villa’s vastgesteld. De commissaris had hiervoor de medewerking gevraagd van de nachtwakers, maar die hadden blijkbaar gefaald en de schuld hiervoor werd zonder meer op de burgemeester geschoven.

In 1906 werd het als prioriteit genomen om de toepassing van het nieuwe en strengere reglement uit 1905 op de zeebaden te controleren en diverse overtredingen terzake werden vastgesteld. Men streefde duidelijk naar een zedig vertoon op het strand om hiermee de potentiële toerist niet af te schrikken.

Dat jaar was er ook eventjes grote paniek, want er werd gevreesd voor een aanslag op de minister van justitie die net op dat ogenblik op vakantie was in Middelkerke. Het betreft hier Jules Van den Heuvel die later een straatnaam zal bekomen. Voor het toezicht op de villa van deze persoon werden alle agenten en de veldwachter ingeschakeld en werd ook versterking gevraagd van de rijkswacht van Oostende.

Wellicht werd door deze gebeurtenis duidelijk aangevoeld dat twee tijdelijke agenten onvoldoende waren en vanaf het seizoen 1907 werden er vier aangesteld.

Zoals men de badende toerist nauwgezet in de gaten hield, werden ook de logiesinrichtingen nauwgezet gevolgd. Omwille van al of niet vermeende immorele zaken -men sprak van een geval van clandestiene prostitutie- werd in 1907 het café–pension Beau–Site in de Leopoldlaan gesloten. Blijkbaar werd duidelijk gestreefd naar een moreel hoogstaande badplaats.

Hervorming politiekorps

Op 10 december 1909 diende de commissaris opnieuw een voorstel in tot hervorming van het politiekorps. Hij wees er vooreerst op dat de opleiding van de tijdelijke politieagenten te wensen over liet. Daarnaast argumenteerde hij dat Middelkerke vanaf het volgend seizoen zowel van als naar Oostende toe meer en meer verkeer te verwerken zal krijgen, omdat dan  de autoweg langs de zeedijk voltooid zou zijn. Om het probleem van het toenemend verkeer en de opleiding van het personeel te kunnen ondervangen stelde hij voor om twee vaste agenten te benoemen die elk met een politiehond twee patrouilles zouden uitmaken. Dit systeem zou tevens de nachtwakers overbodig maken waarover de commissaris eigenlijk niet tevreden was.

Grote juwelendiefstal

In 1909 haalde Middelkerke op een ongewenste wijze het internationale nieuws. Handelsreiziger Karl Bauer uit Wenen die verbleef in een pension te Middelkerke in de periode van 11 tot 16 augustus werd bestolen van een hele collectie juwelen. Het was niet helemaal duidelijk waar de diefstal precies had plaatsgevonden, ofwel te Middelkerke zelf ofwel tijdens de terugreis naar Wenen, daar hij thuiskwam met een lege koffer. Vermoedelijk zal de Middelkerkse politie ook in het onderzoek betrokken zijn geweest en dergelijke spectaculaire diefstallen verdrongen uiteraard de routine zaken en belastten het korps in hoge mate.

ill. 1 : Internationaal opsporingsbericht uit 1909 in verband met de spectaculaire juwelendiefstal die mogelijk te Middelkerke is gebeurd.

Wissel van de wacht

In 1911 nam Pattyn ontslag als politiecommissaris van Middelkerke en werd opgevolgd door Albert Bertrem, geboren op 8 september 1882 en tot dan adjunct-commissaris te Roeselare. Wellicht heeft Pattyn vroegtijdig zijn ambt opgezegd deels omdat zijn vraag om het korps te vergroten onbeantwoord bleef. Volgens bevoorrechte getuige Inghelram was de hoofdreden dat Pattyn zich volop wou toespitsen op zijn nevenberoep in de diamantslijperij.

Taalkwesties

De nieuwe korpsoverste Bertrem is een korpsoverste die duidelijk veel belang hechtte aan een goede selectie van de zomeragenten. Hij was de eerste om de kandidaten voor die job te onderwerpen aan een kleine proef waarbij ondermeer de kennis van de Franse taal werd getest, omdat de zomeragenten verondersteld waren om ‘menigvuldige inlichtingen te verschaffen die alhier in ’t badseizoen dagelijks in de fransche taal aan de politieagenten gevraagd worden.’

Toerisme is inderdaad een bezigheid waarmee verschillende taalgroepen met elkaar in contact komen en dat kan tot spanningen leiden. In 1913 was er een incident op het strand waarbij een Duits vlaggetje afgerukt werd van een badcabine. Vermoedelijk zit achter dit banale feit een stukje vreemdelingenhaat verborgen. In ieder geval vroeg de burgemeester uitleg aan de commissaris en die antwoordde dat hij het niet kon oplossen; het vermoeden was er wel dat het Franse kinderen waren, maar hij zou erover waken dat dergelijke zaken zich niet meer zouden herhalen.

Tot slot

Dat jaar kon eigenlijk moeilijk als een rustig seizoen beschouwd worden, er waren immers daarnaast nog twee nachtelijke inbraken in de houten strandtenten, een diefstal in een badcabine tijdens het baden, diverse diefstallen in villa’s en hotels, heel wat overtredingen op de snelheid door de automobilisten en enkele inbreuken op het reglement op het leuren. De commissaris diende ook nog rapporten te maken over al of niet vermeende inbreuken in het casino op de wet op de kansspelen en over een heldhaftige redding van een drenkeling door de reddingsdienst.

Reken daar nog het gewoon politioneel werk bij dat los van het toeristisch leven diende te gebeuren en het was overduidelijk dat het korps onderbemand was. Tot die vaststelling kwam het bestuur van de gemeente ook en bij gemeenteraadsbeslissing van 5 december 1913 werd de politiedienst uiteindelijk volledig hervormd en meer dan behoorlijk in korpssterkte uitgebreid.

Vooreerst werden er twee vaste agenten aangesteld die in de zomermaanden versterkt werden met zes tijdelijke. Het systeem van de nachtwakers werd hiermee afgeschaft waardoor de uitbreiding in reële cijfers dan ook niet zo groot is.

Tot het takenpakket van de nieuwe politiemensen behoorde ondermeer expliciet de controle op het verkeer en het toezicht op de orgeldraaiers. Duidelijk problemen die voorheen reeds aan de orde waren gekomen.

Met deze beslissing werd door het gemeentebestuur resoluut gekozen voor een afdoende oplossing van het veiligheidsprobleem in de toeristische zone.

Uit dit dossier blijkt dat het gemeentebestuur van Middelkerke het veiligheidsprobleem in de toeristische zone niet vlot heeft opgelost. Na de aanstelling van een commissaris in 1893 werd een systeem ingevoerd met 2 – later vier – tijdelijke politieagenten dat later versterkt werd met enkele nachtwakers, wat niet als afdoende werd beschouwd omdat het politioneel werk in de toeristische zone steeds toenam. Het toezicht op een zedelijke houding bij het nemen van zeebaden en de logiesinrichtingen, de frequente inbraken in de villa’s, problemen met hoteldiefstallen, de controle op het toenemend verkeer op de zeedijk, de controle op het casino, het toezicht op de reddinsgdienst, de controle op de orgelspelers en de leurders en de bewakingsopdrachten rond de notabelen op vakantie namen steeds maar meer tijd in beslag. Pas in 1913, na het vertrek van Pattyn die jarenlang voor bijkomende manschappen heeft gestreden, kwam een duidelijke regeling uit de bus. Tragisch genoeg zal dat uitgebreide politiekorps met deze agenten (zowel de tijdelijke als de vaste werden nog effectief aangesteld) door de uitbrekende oorlog zijn nut niet meer kunnen bewijzen.

Het trage zoeken naar een oplossing voor de veiligheid in Middelkerke dient dan ook beschouwd te worden als inherent aan een moeilijke toeristische start en maakte onderdeel uit van de groeipijnen van een kerkdorp dat op korte tijd stedelijke allures kreeg.

Bronnen

– G.A.M., Fonds Middelkerke, Doos Mi 158, Map politie: Briefwisseling tussen commissaris en Burgemeester, 1900 – 1913.
– G.A.M., Fonds Middelkerke, Doos Mi 173, Aanwerving politiepersoneel 1832 – 1940.
– G.A.M., Fonds Middelkerke, Doos Mi 538, Map Algemene Politieverordeningen, 1896 – 1935.
– G.A.M., Fonds Middelkerke, Doos Mi 556, Map Opsporingen 1887 – 1909.
– G.A.M., Fonds Middelkerke, Gemeenteraadsverslagen 1904 – 1914.
– G.A.M., Fonds Middelkerke, Register uitgaande briefwisseling politie 1913.
– A. Inghelram, Uit de oude doos: de politie van Middelkerke, in: Graningate, VI, nr. 24, pp.179 – 186.
– C. Van Troostenberghe, De Middelkerkse veldwachters deel 2, Mortier – De Roover, in: Graningate, VII, nr.26, pp.82 – 90

Bewaren

Sidebar