Paulyne, de toveresse van Mannekensvere (1612)

Een twintigtal jaren geleden liet Dirk Vermeersch in zijn bijdrage in Graningate over de Nieuwpoortse heks Jeanne Panne al uitschijnen dat er ook wel eens in Middelkerke tovenaars en tovenaressen aan het werk geweest moeten zijn. (1)Bovenvernoemde auteur had blijkbaar ook ‘visionaire krachten’, want enkele klachten over een boerin van Mannekensvere i.v.m. toverij kwamen nu toch nog  boven water.(2)

Wat zijn heksenprocessen?

De hedendaagse vakliteratuur maakt een onderscheid tussen heksenprocessen en magieprocessen. Onder heksenprocessen verstaat men de processen waarin de verdachten wegens hun omgang met de duivel werden vervolgd. Er is dus sprake van een pact met de duivel, geslachtsgemeenschap met de duivel, het bijwonen van nachtelijke bijeenkomsten of danspartijen van heksen en duivels en het betoveren van mensen, dieren of gewassen met de hulp van de duivel.

Onder magie- of toverijprocessen klasseert men de processen waarin het genezen van mensen of dieren, het verwekken van de liefde of het voorspellen of  forceren van allerlei toekomstige gebeurtenissen met verboden middelen werden vervolgd. Die praktijken gingen soms gepaard met het oplichten van goedgelovige mensen en het lasterlijk beschuldigen van rechtschapen personen.(3)

Deze processen konden aan het rollen gebracht worden door geruchten die over een persoon de ronde begonnen te doen. Het was de meest voorkomende manier om een heksenproces te beginnen. Sommigen verwierven de reputatie van heks: gedurende jaren kon de gemeenschap hen in die  hoedanigheid aanvaarden, omdat men desgevallend een beroep op hen deed, maar plotseling waren de grenzen van het toelaatbare overschreden en  begonnen gevaarlijke roddels te circuleren. Vooral in de dorpen kende iedereen de levenswandel van zijn buren, iedereen bespiedde iedereen. Kleine twisten of dorpsroddels, gevoed door toevallige incidenten en rancune, konden de basis leggen voor een pijnlijke gerechtelijke procedure.(4)

De toveresse van Mannekensvere

Ook in de onderstaande getuigenissen zijn het de naaste buren van de ‘toveresse’ die wonderbaarlijke gebeurtenissen waarnemen en het zonderlinge gedrag van de bizarre boerin uit Mannekensvere zullen aanklagen.

In 1612 werden de klachten van enkele parochianen van Mannekensvere tegen Paulyne, de weduwe van Antheunis Vynck opgetekend. Ze betichtten haar van toverij… Op 10 mei werden er diverse getuigen verhoord i.v.m. de handel en wandel van Paulyne, de vermeende tovenares.

Wie de getuigenissen liet opnemen, is niet direct uit de bron op te maken. Omstreeks 1610 bestond er in het Brugse Vrije wel een rondreizende gerechtelijke instantie. Op iedere parochie konden de inwoners misdrijven bekendmaken. Dit systeem leidde tot de identificatie van een aantal ‘heksen’. Daarna werden de namen overgemaakt aan de Schepenen van het Brugse Vrije, die op hun beurt beslisten of er een vervolging werd ingesteld.(5)

De verklaring van Jaques  Roghet.

De 40-jarige landbouwer Jaques Roghet werd geboren in de parochie Amengys (Amougies), in het Land van Aalst. Hij woont nu al een twaalftal jaren in  Mannekensvere.

Jaques Roghet verklaart dat Paulyne, de weduwe van Antheunis Vynck, een twee- of drietal jaren geleden in Mannekensvere is komen wonen. Diverse inwoners  van Mannekensvere, waaronder de echtgenote van Gheraert Tramblez vonden dat zij een echte toveres was.

De vrouw van Tramblez vertelde aan Roghet dat Paulyne ook in haar vorige woonplaats (Sint-Joris bij Nieuwpoort) vermaard was als tovenares. Nochtans kon deze vrouw niet zeggen waarom Paulyne precies zo’n slechte faam had.

Een tweetal jaren geleden kwam Paulyne melk vragen, niettegenstaande zij zelf wel negen of tien koeien bezat. De echtgenote van Roghet gaf haar de melk, maar slechts zes of zeven dagen later stond Paulyne daar weer. Nu wilde ze schapenmelk, dit werd haar echter ontzegd. Sindsdien klaagde de vrouw van landbouwer Roghet dat zij bijna geen boter meer kon karnen. Vanaf het begin van deze zomer is het karnen verbeterd, zonder dat echtgenoot Jaques Roghet de feiten had laten belezen. Jacques Roghet zocht ook geen toevlucht tot andere middeltjes om de betoveringen te bezweren.

Vorige zomer is ‘toveres’ Paulyne op een bepaalde dag op het erf van boer Roghet gekomen, ze bleef er met haar armen gekruist in het midden van de koeien staan. De vrouw van Roghet was net de koeien aan het melken en Jaques Roghet riep Paulyne toe dat ze naar binnen moest komen, maar zonder  enig antwoord te geven is Paulyne terug naar huis gekeerd. Eerst had ze nog wat over koetjes en kalfjes staan praten met de vrouw van landbouwer Roghet.

Kort na deze feiten begaf Roghet zich naar het huis van Paulyne. Hij wilde de zwengel van haar kar, die haar knecht aan de kar van Roghet had laten hangen, terugbrengen. Net buiten het huis hoorde boer Roghet de weduwe luidop praten. Het was net of er wel drie of vier personen aanwezig waren. Jaques kon echter niet horen wat zij precies zei en riep naar Paulyne dat hij enkele spullen kwam terugbrengen, ook vroeg hij haar of zij wel alleen thuis was. Paulyne bevestigde dat zij helemaal alleen thuis was. Toen Roghet haar vroeg ‘wat zij alleene te clappen hadde’, kwam Paulyne naar buiten, de handen op elkaar en zei : ‘Och, Lieve Heer God, ben jij bij iemand raad gaan vragen ? Och, lieve heer, breng mij niet in verlegenheid en maak toch geen schandaal.’ ‘Ic bidde u  ghenade.’ Roghet vroeg haar daarop : ‘Waer ist dat gij schande doen zoude?’ Daarna zei hij tegen ‘toveres’ Paulyne dat er niemand aanwezig was en dat  niemand haar had gehoord. ‘Waarom bid jij eigenlijk om genade? Wat heb jij mij aangedaan ? Breng mij geen ongeluk, ik zal je niks misdoen.’ Daarna vertrok  boer Roghet terug naar huis, maar Paulyne kwam hem echter met gekruiste handen achternagelopen. Zij begaf zich naar het huis van de pastoor, waar zij in aanwezigheid van Jaques Roghet wel een halfuur huilde: ‘Och lijeven heere moet Ic ghaen branden in myn oude daghen?’ Ooggetuige Roghet vroeg haar ‘wat zij hadde te crijschen ende of hij haer eenich onghelic hadde ghedaen ofte een tooveresse van heur ghemaect hadde.’ Paulyne antwoordde dat hij haar niets had aangedaan. Daarop is boer Roghet uiteindelijk naar huis gekeerd.

Jaques Roghet vertelt ook dat er nog andere klachten waren tegen Paulyne. Aan Jan Vernieuwen en Pieter De Vijnck zou ‘toveres’ Paulyne zowel  persoonlijke als stoffelijke schade hebben toegebracht. Zij zullen daarover zelf wel een getuigenis afleggen.

De getuigenis van Jan Van Nieuwen

Jan Van Nieuwen is een 43-jarige landbouwer uit Mannekensvere. Volgens Jan Van Nieuwen kwam Paulyne een drietal jaren geleden in Mannekensvere  wonen, zij was afkomstig van Sint-Joris (Nieuwpoort). Haar man was al overleden toen zij in Mannekensvere kwam wonen. De weduwe is een landbouwster, ze bezit een tiental koeien.

Een jaar geleden was boer Van Nieuwen omstreeks de middag aanwezig in het huis van de pastoor van Mannekensvere. Plotseling kwam daar Paulyne  opdoemen en toen ze voor de deur stond, riep ze dat Jaques Roghet van haar een ‘toverheks’ gemaakt had. De pastoor antwoordde dat zij toch wel wist wie ze eigenlijk was en vroeg haar waarom zij zo stond te ‘crijsschen’. ‘Paulyne zeijde och moet ick ghaen branden In myn oude daghen’. Daarbij maakte ze een enorm kabaal door te staan huilen. Daarna vertrok Paulyne eindelijk terug naar huis. Dit voorval werd bijgewoond doorJ an Van Nieuwen, de echtgenote van Bartelemeux Lanterwijnt en de vrouw van Jan Labeyn die allen ‘up de plaetse van Mannekensvere’ wonen.

Landbouwer Van Nieuwen vervolgt zijn getuigenis …

Herberg - overzet 's GraevensbruggeHij vertelt dat ‘toveres’ Paulyne tijdens de sprokkelmaand de herberg ’s Graevenbrugghe'(7) binnenkwam, ze was blijkbaar op zoek naar Inghel Stoet(8). Nadat de aanwezigen haar attent maakten dat Inghel Stoet er niet was, begaf zij zich in een gelagzaal waar Jan Van Nieuwen en Pieter Reijnkens aan het drinken waren. Paulyne vroeg beide heren of ze met hen een ‘canneken’ mee mocht drinken. De twee boeren stonden dit wel toe en kwamen zo met  Paulyne, de vermeende tovenares aan de praat. Tijdens dit gesprek vroeg Paulyne aan Jan Van Nieuwen of hij haar een paar koeien wilde verkopen. Boer Van Nieuwen zag dit wel zitten en beloofde haar twee koeien (ter waarde van elf ponden groten)(9) te verkopen. De dieren stonden evenwel op stal bij Pieter Reijnkens.

Na verloop van tijd kwam de vrouw van boer Reijnkens zich bij het gezelschap in de herberg voegen. Toen boerin Reijnkens de herberg verliet, werd zij op de voet gevolgd door Paulyne, de vermeende tovenares repte geen enkel woord.

In de stal toonde de vrouw van Pieter Reijnkens de twee koeien en Paulyne maakte van de gelegenheid gebruik om verschillende koeien te strelen. De  toveres Paulyne had echter geen geld klaar om de afgesproken prijs te betalen, de verkoop werd afgeblazen en Paulyne droop af.

Een drietal dagen nadat Paulyne de koeien had gestreeld, werden de dieren zwaar en opgezwollen. Getuige Jan Van Nieuwen vernam van boer Reijnkens dat hij korte tijd na het voorval in de stal drie koeien had verloren.

Getuige Jan Van Nieuwen weet van geen ophouden… Hij blijft het ongevraagde bezoek van Paulyne aanklagen alsook haar onbehoorlijk gedrag.

Vanaf een tweetal weken voor Kerstmis tot 25 februari braken de dieren van Jan Van Nieuwen diverse malen ’s nachts uit hun stallen. Ze liepen in de hooischelven en gewassen rond de boerderij. Het was net of er iemand de dieren had losgemaakt… De touwen waarmee de koeien in de stallen werden gebonden, lagen er soms vreemd genoeg kruisgewijs bij. De hals van de dieren kon op deze manier wel worden gebroken. Boer Van Nieuwen was heel  verwonderd over deze vreemde voorvallen en kon er onmogelijk bij hoe zo iets kon gebeuren.

Op de bewuste 25ste dag van ‘sporckele'(10), een kwartier na het rijzen van de zon, hoorde Jan Van Nieuwen zijn hond heel hard blaffen. Ogenblikkelijk is hij uit zijn bed gesprongen en liep hij vlug naar het vensterraam. Daar zag hij ‘toveres’ Paulyne uit één van de stallen komen, ze dwarste zijn erf richting de straat. Er waren jonge dieren uitgebroken die van de hooischelven aten. De boer riep ‘wat zij up zijn hof te doene hadde!’ Paulyne is ‘deure gheloopen  zonder eenighe antwoorde te gheven.’ De getuige vermoedt dat Paulyne de dieren had losgemaakt. Waarom zij dit gedaan had, kon de getuige ook niet vertellen.

Drie weken later sloeg het noodlot weer toe, hij verloor een koe, acht dagen later nog één. Jan Van Nieuwen kon zelfs niet zeggen aan welke ziekte zijn  dieren zo plotseling zijn doodgegaan.

Nadien zijn een merrie en drie andere koeien ziek geworden. De dieren zijn nog altijd niet genezen. Op een bepaalde dag trok boer Jan naar Sint-Joris om  zaken te doen. Paulyne was hem naar haar vorige woonplaats gevolgd. In haar aanwezigheid vroeg de pastoor van Sint-Joris aan boer Jan Van Nieuwen wat hij haar wel allemaal ten laste kon leggen. Van Nieuwen vertelde aan de pastoor dat de weduwe zonder enige reden in zijn stallen rondliep. Volgens hem is Paulyne dan ook een echte ‘toveresse’. Zij schold hem daarenboven nog uit en slingerde allerlei lasterlijke taal naar zijn hoofd. Dit is ook de reden waarom nu
een klacht werd neergelegd.

Verder verklaart Jan Van Nieuwen nog dat Geeraerdt Tramly (in de eerste verklaring is het ‘Tramblez’), die naast het huis van Paulyne woont, ook met de toveres had gesproken. Paulyne liet zich niet zo maar beschuldigen, ze deed een verwoede poging om zich te verdedigen… Paulyne zei tegen Geeraerdt Tramly: ‘Je echtgenote en andere personen in het dorp zeggen dat ik een tovenares ben, omdat ik enorm veel boter kan karnen. Maar jullie vrouwen  gebruiken al hun boter om wafels te bakken en sommigen eten al de room op. Het mag mij een koe kosten, ik zal de pastoor van Schore ontbieden. Hij kent naar het schijnt al de tovenaressen en tovenaars. Hij zal wel uitmaken of ik nu een ‘toveres’ ben of niet.’ Boer Van Nieuwen en de parochianen vonden toch dat Paulyne een tovenares was, omdat ze zonder toestemming in hun stallen rondliep. De dieren werden ziek en stierven nadien.

De getuige komt nog met een ander verhaal aandraven…

Toen hij met Paulyne aan het drinken was (herberg ‘s Graevenbrugghe) werd er met Paulyne een verkoop van twee koeien gesloten. Toveres Paulyne  betaalde twee kannen bier aan de waardin, dit deed ze met een geldstuk ter waarde van ongeveer twaalf stuivers. De waardin legde het muntstuk bij haar  andere inkomsten. Nadien stelde Tanneken, de herbergierster, vast dat het overige geld plotseling verdwenen was, enkel het muntstuk dat ze van Paulyne  ontvangen had, lag er nog. De bestolen cafébazin deed vlug navraag bij haar klanten, dit kwam Paulyne ter ore. Paulyne was blijkbaar verbolgen over de verdachtmakingen en liet de waardin bij de pastoor ontbieden. Op zijn beurt ondervroeg de pastoor Tanneken over de diefstal. De waardin bevestigde de diefstal en de verdachtmakingen. Ze was ervan overtuigd dat de weduwe de daderes was en zei tegen de pastoor : ‘Ik zal met een stok op haar gezicht kloppen!’

De getuigenis van Pieter Reijnkens

Pieter Reijnkens is een 50-jarige landbouwer uit Mannekensvere. Van geboorte is hij afkomstig van Izegem, maar hij woont nu al meer dan twintig jaar in Mannekensvere. De landbouwer bevestigde het bovenvermelde relaas van de verkoop van de twee koeien, beklonken in de herberg ‘s Graevenbrugghe.

Toen Paulyne in zijn stal kwam, legde zij haar hand op één van de koeien. Zij zei tegen de vrouw van Pieter: ‘Welke mooie beesten heb je hier!’ De volgende dag kon de aangeraakte koe niet meer rechtstaan, nochtans was het dier de dag ervoor nog springlevend. Drie dagen daarna ging het dier dood. Een zestal dagen later stierven er nog drie andere koeien. Pieter Reijnkens was bang om de rest van zijn vee te verliezen en daarom zocht hij zijn toevlucht tot enkele remedies van de kerk.

Korte tijd na het verlies van zijn koeien zat Paulyne in de herberg ‘s Graevenbrugghe. Ze riep boer Reijnkens naar binnen om samen ‘een tueghe te  drijncken’. Pieter ging op het aanbod in en zat naast Paulyne. De volgende dag echter voelde Pieter een ‘exstreme pyne in rechterbeen dewelcke hem is bijghebleven omtrent zes weken’. Uiteindelijk ging boer Reijnkens te rade bij de dorpspastoor. De pastoor legde een doek, gedrenkt in wijwater op het pijnlijke been. Tevens liet de pastoor hem een speciaal voorgeschreven drankje drinken. Na deze behandeling is de ergste pijn ogenblikkelijk weggetrokken en na een tweetal weken voelde de boer geenenkele pijn meer in zijn rechterbeen.

Verder verklaart Pieter Reijnkens dat sedert het dispuut tussen Jan Van Nieuwen en Paulyne, de weduwe werd beticht van tovenarij. Daarvoor heeft hij  echter geen weet van verdachtmakingen. Toch beweert boer Reijnkens dat ‘hij noijet ghoede opinie van heur en heeft ghehadt omme het leelick ghezichte dat zij heeft.’

Landbouwer Reijnkens en zijn vrouw waren ook aanwezig toen de waardin van de herberg ‘s Graevenbrugghe Paulyne beschuldigde van diefstal (cfr.  getuigenis Jan Van Nieuwen). De herbergierster zei dat zij het Paulyne wel zou betaald zetten, waarop ‘toveres’ Paulyne’ antwoordde : ‘Och Tanneken Ic en doent u nijet.’

Interpretatie van de getuigenverklaringen

Toch is het belangrijk om nog even stil te staan bij de getuigenverklaringen.
Hieruit kan er toch een aantal voor die tijd stereotiepe maatschappelijke fenomenen worden vastgesteld.

Sociaal profiel van de vervolgde

Uit de klachten blijkt duidelijk dat het slachtoffer het vertrouwen verloren had van de dorpsgemeenschap van Mannekensvere. Waarschijnlijk waren er sociale  spanningen die aan de basis lagen van de verdachtmakingen t.o.v. Paulyne.

De vervolgden van toverij waren meestal getrouwde vrouwen  tussen veertig en zestig jaar oud, werkzaam in de landbouw.( 11) Dit laatste gegeven strookt
wel met het profiel van de ‘toveresse’ van Mannekensvere, daarenboven was Paulyne een weduwe en uiteraard minder geruggesteund door een  echtgenoot. Haar exacte leeftijd werd niet vermeld en een plaatselijke schone zal ze ook niet meer geweest zijn, boer Reijnkens had het niet op haar begrepen omwille van haar ‘leelick ghezichte’.

De aantijgingen van toverij speelden zich af tegen een achtergrond van een algemene herleving van de economie in onze streek. De belegering van  Oostende (1601-1604) bracht een complete ontvolking en economische verwoesting met zich mee. Na de verwoestende oorlogsjaren en de enorme overstromingsschade (1606), kon de streek stilaan beginnen aan een herstel. Er brak een langdurige periode van rust en vrede aan. Precies in deze
vreedzame periode werden de meeste ‘heksen’ in de naburige kasselrij Veurne geëxecuteerd of veroordeeld tot andere straffen.(12) Net na een oorlogsperiode hebben mensen waarschijnlijk wel eens meer tijd om na te denken over duivels en heksen en kunnen ze zich ook wel meer inlaten met  dorpsroddels om elkaar ‘den duivel aan te doen’. Het is best aannemelijk dat enkele bewoners van Mannekensvere afgunstig stonden t.o.v. de weduwe.

Bezat Paulyne immers geen tien koeien ? Toch een enorm fortuin voor die tijd, ze wilde er trouwens nog twee kopen. Blijkbaar karnde ze ook veel meer boter dan de andere boerinnen, vandaar waarschijnlijk ook de jaloerse buurvrouwen.

Ongevraagd bezoek, wonderbaarlijke gebeurtenissen en zonderling gedrag

Een constante in alle getuigenverhoren ten laste was het aanklagen van een aantal, soms alledaagse, handelingen die de buren heel kwalijk namen. Hieronder viel in eerste instantie het zonder enige reden, en nog veel meer het tegen een uitdrukkelijk verbod betreden van andermans huis, stal of erf. Bij uitbreiding  was dat ook het geval voor het zonder reden lopen over andermans weiden of landerijen. Dit had te maken met het onveiligheidsgevoel en de dagdagelijkse vrees voor het behoud van zijn materiële goederen.

Indien er kort nadien een ongeluk volgde, gold dit als een zware toverijverdenking.(13) In de onderzochte getuigenverklaringen vinden we van het bovenstaande gegeven toch enkele voorbeelden.

Zowel overdag als ’s nachts werd Paulyne betrapt toen ze het erf of de stallen betrad. Kort daarna werd het vee ziek en stierven er enkele koeien. Het onverantwoorde en onverwachte karakter werkte ook negatief bij het lenen van bepaalde goederen. Paulyne wilde schapenmelk, maar haar buren weigerden dit haar te geven. Daarna kon de buurvrouw niet meer naar behoren boter karnen, weer een vorm van tovenarij…

Ook het ongevraagd of ongewenst strelen of vastgrijpen van een persoon of dier, het op de arm nemen, kussen of beademen van een kind, het wijzen met de vinger werden vaak door de buren als storend ervaren. Paulyne streelde de koeien, kort daarna werden ze ziek en stierven.

De rol van de belezers en genezers

Tegenslagen zijn vaak moeilijk te verwerken. De meeste mensen kunnen niet leven met het blinde toeval. Overal zoeken zij logische verklaringen. Enerzijds  zocht men op het einde van de 16de eeuw en in het begin van de 17de eeuw vaak zijn heil in het geloof in de goddelijke voorzienigheid. God werd gezien  als een actieve kracht, gelovigen werden beloond en goddelozen gestraft. God had de hand in natuurrampen, veldslagen, het uitbreken van de pest of andere ziekten. Anderzijds was de natuurfilosofie met de pseudowetenschappen zoals astrologie en alchemie, en ook wel de geneeskunde met zijn  aderlatingen en braak-en laxeermiddelen in gebruik bij het volk. Deze systemen boden echter weinig logische samenhang.Vandaar dat beide aanhangers bij  moeilijk verklaarbare tegenslagen vrij vlot overstapten op een toverij- of heksenverklaring.( 14)

Getuige Jaques Roghet verklaart uitdrukkelijk dat hij de zonderlijke gebeurtenissen niet heeft laten belezen noch gebruik heeft gemaakt van andere middeltjes om de betovering ongedaan te maken. Hieruit kan min of meer worden afgeleid dat dergelijke belezingen en het gebruik van magische middeltjes schering en inslag waren.

Toch begon men vooral in het begin van de 17de eeuw in te zien dat de natuur haar eigen, door de mens te beheersen, wetmatigheden had. Misschien is het wel mogelijk dat boer Roghet en zijn vrouw niets wilden afweten van de magisch-religieuze denkbeelden.

De rol van de geestelijkheid

Wanneer belezers, chirurgijnen, artsen, paarden- of koeien meesters geen hulp boden, bleef er nog alleen de belezing door een geestelijke over. Dit middel, dat door de katholieke kerk uitdrukkelijk was voorzien om de goddelijke tussenkomst af te smeken, was voor vele aanklagers ook het allerlaatste middel om  hekserij te ontdekken en te bestrijden.(15)

Uit de getuigenissen blijkt dat Paulyne van plan was om een beroep te doen op de pastoor van Schore. Die had blijkbaar een enorme reputatie wat  belezingen betreft, want de beschuldigde zegt : ‘De pape van Schoore kent al de tooveressen ende toovenaers, hij zal wel zegghen of ic een ben of nijet.’

Ook uit andere bronnen is het duidelijk dat de pastoor van Schore een veel geraadpleegde geestelijke was.(16) De vermeende toverheks Paulyne was zelfsbereid om de prijs van een koe te betalen voor de onttoveringen van de pastoor.

Boer Van Nieuwen wilde ook wel eens de mening van een pastoor horen, in Sint-Joris ging hij om raad bij de pastoor. De dorpsherder van Sint-Joris vroeg hem wat Paulyne wel ten laste gelegd kon worden.

Na het verdwijnen van een som geld in de herberg ‘s Graevenbrugghe, liet Paulyne de waardin Tanneken bij de pastoor van Mannekensvere ontbieden. Daar deed zij dan haar verhaal.

Tenslotte was het ook de pastoor van Mannekensvere die zelf ook als plaatselijke chirurgijn optrad. Op het pijnlijke rechterbeen van Pieter Reijnkens legde hij een in wijwater gedrenkte doek. Tevens moest Pieter een drankje drinken, dat speciaal door de pastoor was voorgeschreven. Het been genas wonderwel…

De geruchten van de inwoners van Mannekensvere brachten Paulyne zeker in nauwe schoentjes. Toch liet de weduwe duidelijk merken dat zij zich niet zomaar als een willig slachtoffer bij de lasterlijke klachten zou neerleggen. De plaatselijke bevolking moet zeker in de ban van de kwalijke aantijgingen van hekserij geweest zijn.

Hoe het nadien met ‘toveresse’ Paulyne is vergaan, werd voorlopig nog niet achterhaald. De volledige ontsluiting van het fonds(17) en nader onderzoek van andere beschikbare bronnen zal misschien in de toekomst wel uitsluitsel geven of er een vervolging werd ingesteld.

Voetnoten

(1) Graningate, nr.16, 1984, p.213-237, Dirk Vermeersch
(2) RAB (Rijksarchief Brugge), Processen BVO, nr.1443
(3) Jos Monballyu, Heksen en hun buren in Frans-Vlaanderen (16de-18de
eeuw), Ieperse historische studies, Stadsarchief Ieper, 2004, p.2
(4) Fernand Vanhemelryck, Het gevecht met de duivel/Heksen in
Vlaanderen, Davidsfonds Leuven, 1999, p.60
(5) Fernand Vanhemelryck, Heksenprocessen in de Nederlanden,
Davidsfonds Leuven,1982, p.64 J.De Smet, Toverheksen in het
Noordvrije 1610, Biekorf Vol.47 (1946) p.145-150
(6) Sprokkelmaand : februari
(7) ‘s Graevenbrugghe
André Steen, Kroniek van Mannekensvere, 1992, p.48 en p.94
Hans Mestdagh, Archeologisch onderzoek in de gemeente
Mannekensvere Dossiers 2, 1987-1988, p.293-296, licentiaatsverhandeling.
Universiteit Gent
K.De Flou, woordenboek der toponymie, 1914-1932, deel IV, p.876
Vanaf de 13de eeuw een brug over de IJzer in Mannekensvere. De
brug kwam in verval en werd weer vervangen door een veer. De naam
’s Graevenbrugghe bleef bewaard voor het gehucht en de herberg tot
in de 19de eeuw.
(8) Inghel Stoet : gezworen landmeter van het Brugse Vrije
André Steen, Kroniek van Mannekensvere, 1992, p.95
(9) Groten : één pond groten Vlaams = 20 schellingen = 240 grooten
Paul Vandewalle, Oude maten, gewichten en muntstelsel in
Vlaanderen, Brabant en Limburg, Belgisch Centrum voor landelijke
geschiedenis, publicatie nr.82, Gent,1984
(10) sporckele : februari
(11) Monika Triest/Lou Gils, Heksen in de Lage Landen / Met de duivel
naar bed, Van Halewyck,2002, p.66
(12) Filip Lampaert, Heksenvervolging en hekserij in de kasselrij Veurne
1580-1660, licentiaatsverhandeling, Universiteit Gent,1982, I, p.9
zie ook http://www.kuleuven-kortrijk.be/facult/rechten/Monballyu/
Rechtlagelanden/Heksenvlaanderen/heksenvlaanderenchronologisch.
htm
(13) Idem (3) p.66
(14) Idem (3) p.76-77
(15) Idem (3) p.82
(16) Idem (12) p.103-104
(17) RAB, Processen BV

Sidebar