Pater Hendrik Boels

In Graningate nr. 78, juni 2000 verscheen een artikel over pater Achiel Boels. Nu hebben we het over zijn broer, pater Hendrik Boels.

Jeugd

Hun geboortehuis bevond zich even voorbij de kerk noordwaarts, schuin tegenover de jongensschool. Toen ik te  Leffinge scholier was (1922 – 1929) moesten we dus net voorbij dit huis wanneer we ons naar school begaven. Het was de laatste grote hindernis die we moesten nemen alvorens de drempel van de schoolpoort te overschrijden. Woonde daar immers Jeroom Boels, een broer van de paters, smid van beroep. De smidse gaf uit met een grote wijdopen poort recht op straat… en daar was altijd iets te zien dat ons boeide. We zagen er Jeroom met de linkerhand de blaasbalg trekken, terwijl hij met zijn rechter in een tang het te smeden ijzer in het vuur hield tot het rood – of bijna witgloeiend was, om vervolgens met zware hamer op het klinkend aambeeld erop te slaan, wat vurige gensters rondom deed spatten.

Moeilijker nog werd de hindernis wanneer een zwaar trekpaard in de “travaalje” stond en Jeroom het nog gloeiende hoefijzer op de paardenhoef paste, wat een sterke geur van verbrande hoorn gaf (die we lekker vonden), om dan even later het ijzer met lange nagels op de paardenpoot te spijkeren. Dat het paard daarbij geen kik gaf, ging ons verstand te boven.
Neen, in die tijd waren de wonderen de wereld nog niet uit.

In dat huis werden de paters geboren. Hun vader was Stijn Boels, eveneens smid, hun moeder Louise Quyo, een boerendochter uit het “Klein Kalkaertsleen”, allebei eveneens geboren Leffingenaren. Het echtpaar had vier kinderen, allemaal zonen: August, Hendrik, Jeroom en Achiel. De twee die Pater –  Redemptorist werden, waren Hendrik, geboren 10 oktober 1882, en zijn bijna twaalf jaar jongere broer Achiel, geboren 1 september 1894. Hoewel we ze elk afzonderlijk moeten behandelen, kunnen we ze toch ook niet van elkaar scheiden, omdat ze beiden tot dezelfde kloostercongregatie toetraden, en als missionaris werkzaam waren bij eenzelfde volk, zij het in twee verschillende continenten. Van al onze vele Leffingse missionarissen zijn zij ongetwijfeld de twee “moeilijkste” om over te schrijven, omdat ze werkzaam waren in twee verschillende landen, en bij een volk dat sinds vele eeuwen een uiterst gecompliceerde en tragische, soms  bloedige, geschiedenis heeft gekend, nl. het Oekraïense volk. Het is onmogelijk een levensschets van de paters Boels uit te tekenen, zonder een beeld op te hangen van de geografische en historische achtergronden en de ingewikkelde omstandigheden die hun apostolisch werk en hun levensloop hebben bepaald.

Land en volk

In de loop van de tijd heeft Oekraïne perioden gekend van onafhankelijkheid, doch eeuwenlang hoorde het, hetzij in zijn geheel, hetzij in gedeelten, tot verschillende staatkundige eenheden: Polen, tsaristisch Rusland, Sovjet – Rusland, Oostenrijk – Hongarije. Daarbij wisselde het dus geregeld van overheersers en meteen van … “verdrukkers”. Noodgedwongen moeten we ons beperken tot de periode en de landstreek die onze paters Boels aanbelangt en dat is Galicië, en ook … Canada, in de twintigste eeuw.

Galicië wordt (etnisch gezien) in zijn westelijk gedeelte bewoond door Polen, in zijn oostelijk gedeelte door  Oekraïners. De streek strekt zich uit van iets ten oosten van Krakau (Pools gebied) tot Tarnopol (Oekraïens gebied). Wanneer we dus spreken over “Oost-Galicië” of West- Oekraïne dan wordt hetzelfde bedoeld. Dat zal het arbeidsveld worden van onze Belgische (in grote meerderheid Vlaamse) Redemptoristen, maar dan wel langs de verre omweg van
Canada… De hoofdstad van dit gebied heet Lwiw in het Oekraïens, Lwow in het Pools, Lemberg in het Duits en Léopol in het Frans.

Zeer lange tijd stond West – Oekraïne onder Poolse overheersing. Bij de eerste Poolse deling (1772) werd het een provincie van Oostenrijk. Een paar jaar na de Eerste Wereldoorlog, in 1921, ging het weer horen tot het herboren Polen. Onze Redemptoristen kwamen er toe toen het onder Oostenrijkse heerschappij stond (1913), en maakten al de volgende wisselende gebeurtenissen mee met alle eraan verbonden tragiek, waaronder twee wereldoorlogen en nog andere lokale gewapende en andere conflicten.

Ze vonden er een West-Oekraïne dat in de steden, in zijn administratie en in zijn hoogste bevolkingslagen grotendeels verpoolst was. Oostenrijk had het zo gelaten. De grote massa van de bewoners van het platteland en een minderheid in de steden, was dwarsdoor Oekraïens. Polen zette er alles op om het gehele gebied te verpoolsen, en zowat alle middelen waren daarvoor goed. Er ontstond aldus een verbeten strijd tussen twee radicale, misschien mogen we zelfs zeggen “fanatieke” nationalismen, het Poolse, dat alles in zijn Poolse eigenheid wilde opslorpen enerzijds, en het Oekraïense, dat vocht om zijn eigen identiteit ondanks alle Poolse drukkingsmiddelen en verwoede aanvechtingen te behouden, anderzijds. Het voornaamste wapen bij dat gigantische duel was van beide kanten de godsdienst en de ritus.

Godsdienst en ritus

Het Poolse volk is diep-katholiek en van de Latijnse ritus. Daar het ook bij tal van delingen en versplinteringen strijd moest voeren om zijn eigenheid te bewaren, werd de godsdienst het grote cement van zijn volks-nationale eenheid. Rooms katholicisme en Pools nationalisme groeiden samen tot een quasi ondeelbare eenheid. Die katholieke godsdienst werd liturgisch beleefd volgens de Latijnse ritus.

Bij de Oekraïners deed zich een gelijkaardig proces voor. Voorheen horend tot de Oosterse Orthodoxie gingen ze ingevolge de Unie-overeenkomst van Brest-Litovsk (1596) opnieuw horen tot de Rooms-katholieke kerk. Ze werden de zogenaamde “Uniaten”. De Oekraïners van Oost-Galicië bleven in groten getale die hereniging met Rome getrouw. Ze waren dus katholiek, doch bleven hun godsdienst voort liturgisch beleven volgens de Oosterse ritus. Bij de Polen  groeide aldus het katholicisme, beleefd volgens de Latijnse ritus, ineen met het volks-nationale Pools bewustzijn. Bij de Oekraïners (ook Ruthenen genaamd) groeide het katholicisme, beleefd volgens de Oosterse ritus, samen met hun volksnationaal Oekraïens bewustzijn. Voor de Polen werd het sterkste en meest gebruikte wapen om de verpoolsing door te drijven: het uitroeien van de Oosterse en het inplanten van de Latijnse ritus. Voor de Oekraïners stond het  gevecht voor hun nationale eigenheid gelijk met het zich verzetten tegen de latinisering en verwoede strijd voor het behoud van hun aloude Oosterse (= Griekse, Oekraïens-Griekse, Grieks-katholieke, Grieks-Slavische, Rutheense, Grieks-Byzantijnse) ritus. Voor hen staat Latijns (in ritus) gelijk met Pools, latinisering gelijk met verpoolsing en Pools gelijk met … minorisering en verdrukking.

Van Canada naar Gallicië

Onze landgenoten-redemptoristen waren reeds werkzaam in Canada sinds 1897. Grote behoefte aan méér priesters-missionarissen ontstond door de enorme toevloed van inwijkelingen uit de oude wereld. Een zeer groot aantal was afkomstig uit centraal en Oost-Europa. Ze vestigden zich o.m. in de onmetelijke gebieden, de steppen en de prairies van Manitoba en Saskatchewan, en woonden er alom verspreid.

Verlaten mensen, verlaten zielen. Velen van Slavische oorsprong … waaronder Polen en Oekraïners. Men riep om hulp bij de Belgische redemptoristen, en men vroeg paters die zich eerst wat inwerkten in “Slavische talen”. Men zou beginnen met een missie-nederzetting in het opkomend stadje Brandon (Manitoba) en vandaaruit de verspreide bevolking bezoeken, plaatselijk kleine kapellen oprichten, en de priesterlijke bediening uitoefenen. Een groot deel van het jaar  moesten de tochten wel gedaan worden met de slee over de sneeuw-en ijsvelden. De pionier die men naar Brandon zou uitzenden was een West-Vlaming uit Lendelede, pater Achiel Delaere.

Die naam is te Leffinge niet onbekend, want zijn beide broers-priester, Cyriel en Remi, waren allebei pastoor te Leffinge. Cyriel was er de toegewijde herder die tijdens de bange oorlogsjaren 1914-1918 de beproefde bevolking moed wist in te spreken en alle mogelijke hulp bood.

De pas afgestudeerde pater Delaere ging eerst naar Tuchow in West-Galicië, op enkele kilometers van de Pools- Oekraïense taalgrens. Hij moest zich immers  bekwamen in “Slavische talen”… maar er zijn er vele. Per vergissing besteedde hij eerst drie maanden aan het Slowaaks, om dan te vernemen dat het Pools moest zijn. Hij kwam te Brandon (Canada) toe midden oktober 1899. Vrij spoedig stelde hij vast dat de mensen die hij op het uitgestrekte gebied aantrof
hoofdzakelijk Oekraïners waren … en hij er dus veel beter aan had gedaan Oekraïens te leren. Hij doet zijn best om het zo goed en zo kwaad mogelijk machtig te worden.

Een pijnlijke ondervinding die de pater spoedig opdeed , was dat de Oekraïners nogal afwijzend tegenover hem stonden omdat hij geen geboren Oekraïner  maar een “vreemdeling” was, vervolgens ook wel een beetje omdat hij een celibataire en niet een gehuwde priester was, zoals ze in ’t oude moederland
gewoon waren en bij de Oosterse seculiere clerus vrij algemeen gebruikelijk is (ook bij de katholieke Uniaten), maar vooral omdat hij een priester was van de Latijnse ritus. Latijns was immers Pools, en Polen bleven de oude erfvijanden, ook daar in Canada, al beleden ze dan ook allemaal de katholieke godsdienst. Pater Delaere nam een gedurfd besluit. Teneinde de immigranten uit Galicië beter te kunnen benaderen, vroeg en bekwam hij de vergunning om over te gaan naar de Oosterse (Griekse) ritus. Hij was de eerste redemptorist van de Rutheens-Griekse ritus. We zijn in het jaar 1906. De tweede was

Pater Hendrik Boels

Geboren te Leffinge op 10 oktober 1882. Na de schooljaren in het dorp liep hij enkele jaren college te Oostende en trad binnen bij de redemptoristen te Sint.-Truiden op 8 oktober 1899. Hij deed er zijn noviciaat en de laatste twee humaniorajaren. Ongetwijfeld was zijn keuze daartoe mede bepaald door
de invloed en de grote bekendheid die toendertijd de redemptoristen alom in Vlaanderen genoten door hun gloedvolle predikatie. De tiendaagse “missies” die ze predikten op de parochies, met groot ochtend-en, nog veel groter avondsermoen deden de kerken barstensvol lopen. Voor Hendrik schijnt pater Bouckaert de grote mentor geweest te zijn. Na het noviciaatsjaar legde Hendrik de kloosterprofessie af op 29 september 1901. Daarna volgden de verdere studie-en vormingsjaren te Beauplateau.

Missionaris bij de Oekraïeners

Hendrik Boels wordt priester gewijd op 7 juli 1907, een drietal maanden eerder dan zijn jaargenoten, omdat hij bestemd is voor het missiewerk bij de  Ruthenen of Galicische Oekraïners die uitweken naar Canada. Hij zal dus de medewerker worden van de grote pater Delaere. Dat eist evenwel een heel bijzondere voorbereiding waarvoor hij zich zo spoedig

mogelijk moet begeven naar het Oekraïnisch moederland om er de taal en de Rutheense ritus aan te leren. De pater nam zijn intrek in het oude klooster van de moniken-Basilianen te Krechiw. Hij verbleef er tot einde 1908. Hij kwam een laatste maal naar Leffinge om afscheid te nemen van zijn familie. Nooit zouden ze elkaar nog terugzien.

In de onmetelijke vlakten van Canada.

Pater H. Boels komt er aan tegenaan middernacht op 6 januari 1909, meteen de vooravond van het Kerstfeest volgens de Griekse ritus. De Grieks-katholieke Oekraïense en de Poolse immigranten wonen in Midden-Canada en in het Canadese Westen in kleine groepen, her en der verspreid op grote afstand van elkaar. Onze pater komt er terecht in het klooster van Yorkton in de provincie Saskatchewan, dat vanaf begin 1903 het voornaamste apostolaatscentrum  geworden was. Na zijn verblijf in Brandon (Manitoba), was pater Delaere zijn apostolaat te Yorkton begonnen in januari 1904. Hij werd er de lokale overste in 1905. In maart 1906 ontving hij de moeizaam verkregen vergunning over te gaan tot de Oosterse ritus, aanvankelijk voor 5 jaar. Hij was dus de eerste
en de enige, tot in 1909 pater H. Boels toekwam. Na hem kwamen er nog anderen.

Toegewijde medewerker van Pater Delaere.

Pater H. Boels zou zich dus inzetten voor de Grieks-Katholieke Oekraïners in Midden-en West-Canada. Invele opzichten was het een taak die een heldhaftige  edelmoedigheid en een algehele zelfverloochening vergde. Alleen al het klimaat stelde hoge eisen.

Een lange winter van zeven maand, waarbij het kwik kan dalen tot 40 ° onder nul of nog meer. Lange en moeizame tochten met boerenkar of boerenslede over besneeuwde velden. Een korte zomer van vijf maand met een drukkende hitte en veel ongedierte.

Veel erger en pijnlijker evenwel was de hardnekkige tegenstand die ze moesten ondervinden vanwege allerhande vijandige elementen: orthodoxe  scheurmakers, valse priesters, sektarische bendeleiders, fanatieke protestanten. Het smartelijkst was nog wel de negerende of ronduit minachtende bejegening die ze soms moesten ervaren van eigen geloofsgenoten, daartoe opgejut door fanatici die alles uitspuwden wat niet echt Oekraïens was … zoals die “Franse ongehuwde priesters”, zoals ze onze missionarissen graag noemden. Reeds op zijn allereerste missietocht mocht onze pater Boels een staaltje ervan aan den lijve ondervinden. Hij kwam toe te Yorkton op 6 januari. Reeds op 9 januari nam een confrater hem mee op de slede. Op zondag 10 januari zou die confrater voor gelovigen van de Latijnse ritus de diensten verrichten in de bijpost van Ste Cunegonde. Hij deed daarbij evenwel een grote omweg om pater Boels af te zetten in het door Oekraïners bewoonde dorpje Jaroslaw waar die volgens de Griekse ritus zou celebreren. In de namiddag van maandag 11 januari kwam de confrater onze pater afhalen voor de terugreis naar Yorkton. De meer ervaren missionaris vroeg langs zijn neus weg aan pater Boels hoe het gegaan was… Deze vertelde over de verschrikkelijke kou die hij geleden had in de kapel… Hoe hij voor de consecratie de kelk gedurende een kwartier boven de slecht brandende kachel had moeten houden om de bevroren wijn vloeibaar te krijgen. Over de koude op het kerkhof waar hij een  teraardebestelling moest doen… en ten slotte hoe een belhamel hem was komen beledigen en plagen met de gewone klachten… “Waarom hebben we geen Oekraïense bisschop en echte Oekraïense priesters? Wat moeten wij met die Belgen en Fransen die maar vermomde Poolse en onechte Oekraïense  priesters zijn”. Dat was de ontgroeningsdoop die pater Boels moest ondergaan en die hem reeds na amper een paar dagen duidelijk maakte, in welke
moeilijke omstandigheden hij zou moeten pogen Gods goedheid en liefde uit te dragen.

Grote verwezenlijkingen.-Een eigen bisschop.

Een tragisch gebeuren zal de missie-arbeid van pater Boels na tien jaar een einde doen nemen. In die tien jaar werd evenwel enorm veel tot stand gebracht.  Doorheen tal van moeilijkheden en steeds hernieuwde inspanningen wist pater Delaere te bekomen, dat voor de Grieks-katholieke Oekraïense immigranten in Canada een eigen bisschop benoemd werd, afkomstig uit het oude moederland. Bij dat streven stond pater Boels hem energiek ter zijde. De kwestie werd op de agenda geplaatst van het Concilie dat de Canadese bisschoppen zouden houden te Quebec van 15 september tot 1 november 1909. Hoewel nog geen vol jaar ter plaatse, had pater Boels reeds ten gronde de noden en verzuchtingen van de Oekraïense immigranten begrepen. Nog tijdens het Concilie
richtte hij een dringend schrijven tot Z.E.H. Dr. Bourke (de president van het genootschap voor het verspreiden van het   katholieke geloof in Canada) met het dringende verzoek dat hij op het Concilie de benoeming van een Oekraïense bisschop zou bepleiten. Hij besloot zijn schrijven aldus: “Nogmaals herhaal ik dat er een Oekraïense bisschop moet komen als men de afvalligen wil terugwinnen en de getrouwen behouden. Ja!

Dat men een Oekraïense bisschop en Oekraïense priesters geve en daarbij nog een katholiek dagblad, en dan zal 95 % van dat volk gered worden”. Duidelijke en energieke taal. Het schrijven van pater Boels maakte grote indruk. Het werd gepubliceerd in “The Catholic Register”, en pater Dydyk, de provinciale
overste van de Basilianen, die op het Concilie aanwezig was, schreef een hartelijke dankbrief aan pater Boels en feliciteerde pater Delaere omdat hij over missionarissen beschikte die zo goed de noden van zijn volk begrepen hadden en zich onbaatzuchtig en liefdevol ervoor opofferden.

Het duurde wel nog even, maar op 15 juli 1912 werd Niketas Budka, studieprefect aan het Groot Seminarie te Lwiw, benoemd tot bisschop van de Grieks-katholieke Oekraïense immigranten in Canada.

Oosterse Redemptoristen.

De toekomstgerichte blik van pater Delaere ging nog verder. Een eigen Grieks-katholiek bisdom voor de Oekraïeners in Canada was al heel wat, maar volstond toch nog niet. Het bisdom had behoefte aan veel meer priesters. En wel priesters uit eigen volk. Vreemdelingen, zelfs al gingen ze over naar de Rutheense ritus, werden enkel door de besten aanvaard, door de meerderheid alleen maar noodgedwongen geduld, en door een niet gering aantal gewoon miskend en verworpen. Er moest een Oosterse tak van redemptoristen opgericht worden, die zou recruteren onder het eigen Oekraïense volk! Het was een plan van ongehoorde stoutmoedigheid en visionaire apostolische gedrevenheid… en het was te voorzien dat er heel wat moeilijkheden te overwinnen zouden zijn.

Toch zal hij het verwezenlijken, met de steun van zijn landgenoten, (onder wie op een voorname plaats pater H. Boels), alsook van de Oekraïense metropoliet van Lwiw de grote Mgr. Szepticki, en zijn eigen provinciale en generale oversten. En die Oekraïense redemptoristen zouden niet alleen moeten werken onder hun volksgenoten in Canada en de U.S.A. maar ook in Oost-Galicië zelf, dat hoge nood had aan toegewijde priesters, en dat ook gedroomd  werd als mogelijk bruggenhoofd van waaruit gemissioneerd zou kunnen worden verderop in Groot-Oekraïne in het schismatieke Rusland, wanneer dit land ooit weer toegankelijk zou zijn. Pater Delaere trok ervoor naar Rome, en vandaar naar Lwiw.

De moeilijkheden die hij te Lwiw ondervond, kwamen vooral van zijn eigen Poolse confraters. Oost-Galicië, en vooral het centrum Lwiw, was vanzelfsprekend een actieterrein van de Poolse redemptoristen… en die ijverden, zoals heel de Poolse geestelijkheid, voor de latinisering… en meteen voor de verpoolsing van hun wingewest. Het kwam hen onbegrijpelijk voor dat confraters, vreemdelingen bovendien, stichtingen zouden beginnen van de verdachte Griekse
ritus, daar waar zij die ritus zo vurig wensten te zien verdwijnen. Toch kwam het, zij het niet zonder druk van hogerhand, tot een compromis. Ja, ze mochten het wagen, mits het maar niet in de hoofdstad Lwiw zelf was. Via België kon pater Delaere dus terug naar Yorkton. Redemptoristen uit België zouden de hand aan de ploeg slaan in Galicië in het jaar 1913. Daarover verder.

Er moest evenwel nog iets méér gebeuren, nl. de stichting in Canada van redemptoristenkloosters die niet langer van gemengde ritus (Latijnse en Griekse) zouden zijn, doch maar Grieks-katholiek.

Pater Boels in de branding.

Kloosters mogen niet worden opgericht zonder uitdrukkelijke toelating van de eigen bisschop. Nu hadden de Grieks-katholieke Oekraïeners in Canada een eigen bisschop, Mgr. Budka. Dus mochten geen Grieks-katholieke redemptoristenkloosters worden opgericht zonder zijn toestemming.

Pater Delaere vroeg dus de vergunning zulk klooster te mogen beginnen met juvenaat en noviciaat, tot vorming van redemptoristen ter plaatse  gerecruteerd.

Mgr. Budka was pas zeer onlangs in de nieuwe wereld toegekomen en had nog niet de minste plaatselijke ervaring. Hij was een echte Oekraïner uit het oude land, en had ook zijn ingebakken Oekraïens nationalisme meegebracht. Het zou nog een tijdje duren voor hij ging beseffen welke waardevolle krachten die vreemde redemptoristen voor hem en zijn bisdom wel waren, welke enorme moeilijkheden ze hadden ondervonden en wat voor groots ze reeds verwezenlijkt hadden.

Aanvankelijk zag hij in hen ook alleen maar de vreemdelingen, die wel overgegaan waren naar de Rutheense ritus, maar toch geen echte Oekraïners waren.  Ze moesten zo spoedig mogelijk overbodig worden gemaakt door de komst van echte Oekraïense priesters uit het moederland. Het ontwerp van pater Delaere beviel hem dus allerminst.

In de maand december 1912 bezocht de jonge bisschop Brandon en omstreken. Pater Boels was van Yorkton naar Brandon verplaatst… maar een beetje als naar een tweede verblijfplaats, want hij bleef ook behulpzaam bij de bediening van de bijposten van Yorkton. Het was met pater Boels dat Mgr. Budka te Brandon het project van pater Delaere besprak, en het ondubbelzinnig afwees. Hij zou alleen missionarissen

aanvaarden die in Galicië waren gevormd. Dáár dus, en niet in Canada, was het dat een Grieks-katholiek redemptoristenklooster met Juvenaat moest worden gesticht en de eerste generatie moest worden gevormd. Die zouden dan later naar Canada kunnen komen.

Wat een ontgoocheling voor pater Boels, die zich met zoveel ijver had ingezet voor het bekomen van een Oekraïense onafhankelijke bisschop in Canada. Het leek wel dat voor de diensten van de redemptoristen in het nieuwe bisdom werd bedankt. De zo edelmoedige pater Boels schreef aan pater Delaere: “Wat mij aangaat, Z.E.P. Rector, ik verklaar dat ik hoegenaamd niet verlang hier nog langer te werken. Men zal ons hier nog slechts voor enige tijd dulden, wij  kunnen dus evengoed dadelijk vertrekken”. Pater Delaere, de ouwe taaie die al zoveel had meegemaakt, dacht niet aan opgeven, maar sloot niet uit dat hij  zijn activiteiten als priester van de Griekse ritus en ten bate van de Oekraïners eventueel zou verleggen naar de U.S.A. of naar Galicië. Hij besloot wijselijk eerst af te wachten.

De situatie klaarde inderdaad op. Mgr. Budka leerde de paters en hun werk beter kennen en waarderen, Mgr. Szepticki kwam bemiddelend tussen, en de redemptoristen mochten in Canada en in Galicië beginnen met eigen klooster, juvenaat en noviciaat, maar de eerste generatie moest wel vorming in taal
en ritus krijgen in het Galicisch moederland. Het ging vlug, reeds in augustus 1913 vertrokken Belgische redemptoristen naar Galicië en begonnen er een eerste stichting te Uniw (op enkele mijlen van Lwiw) in de zomerresidentie van de Metropoliet die ze grootmoedig van hem ter beschikking kregen.

Er zou een krachtige generatie van Oekraïense redemptoristen groeien ten dienste én van Galicië én van Canada. En pater H. Boels ploegde voort op de uitgestrekte akker van Manitoba en Saskatchewan… tot hij erbij viel.

Eenzame dood van een held.

Toen de gesel van de Eerste Wereldoorlog ten einde liep, werden oude en nieuwe wereld geteisterd door een andere vreselijke mensendoder, de  ongenadige “influenza” algemeen genoemd: “de Spaanse griep”. Enkele Leffingse jongeren die meegenomen werden door het terugtrekkende Duitse leger  vielen als slachtoffer van de kwaal. Hun naam werd opgenomen in de lange lijst van “burgerlijke slachtoffers van de oorlog”, die het kleine dorp te betreuren had. Men wist het nog niet, maar over de oceaan, in de steppe van Saskatchewan bezweek eveneens een Leffingenaar aan de moordende ziekte. Hij had de besmetting opgedaan aan het sterfbed van zieken die hij priesterlijk bijstond.

De streek van Hubbard, een tachtig mijl van Yorkton, was voornamelijk toegewezen aan de missionaire zorg van pater Boels. Ze hoorde tot de meest  getroffen gebieden. Op vrijdag 22 november 1918 was pater Boels erheen gegaan en trok van het ene sterfbed naar het andere. Reeds in de avond van diezelfde dag voelde hij dat hij was aangetast en zijn krachten begaven. Hij trok voort van het ene lijdensbed naar het andere tot hij door vermoeidheid en  ziekte niet meer kon.

Hij kreeg gastvrijheid bij een trouwe Rutheense familie. De volgende morgen stond hij nog op uit bed om daar in huis zijn laatste H. Mis te celebereren en zichzelf de H. Communie als teerspijze toe te dienen. Er werd een telegram gestuurd naar het klooster van Yorkton. Daar heel de streek in verwarring was door de heersende epidemie, kwam dit bericht pas veel later toe… en toch had de stervende pater nog zo doodgraag even zijn kloosteroverste gezien.

In de loop van zondag 24 november diende een Latijnse priester uit de buurt hem een laatste absolutie en de ziekenzalving toe. De stervende vertrouwde hem toe, dat hij heel graag zijn leven ten offer bracht aan de goede God en voor allen aan wie hij dat leven had toegewijd. Hij onderbrak enkel zijn gebed om te vragen of men zijn zo vurig verwachte confrater nog niet zag aankomen.

Een zoon des huizes werd naar Yorkton gestuurd om er pater Decamps, overste van het huis, te verwittigen. Hij bereikte hem rond vier uur in de namiddag. Met een paar paters vertrok men onmiddellijk, door het akelige donker van de invallende nacht en het koude winterweer. Te negen uur bereikte men de  woning. De eerste woorden die ze hoorden toen de deur openging: “te laat pater, hij is gestorven”. Pater Decamps omhelsde het nog warme lichaam van de gevallen held, die zoals de Heer op het kruis, moest sterven in de opperste verlatenheid, ver van zijn land en van allen die hem in het leven nabij stonden en  die hij zo liefhad.

Op bevel van de overheid moesten de slachtoffers van de epidemie ten spoedigste begraven worden. Op maandag 25 november had dus reeds de uitvaart plaats. Het nieuws van het overlijden was reeds door heel de streek verspreid, en van overal was volk toegestroomd. Pater Boels had gevraagd begraven te  worden te midden van zijn mensen en zo gebeurde het. Tegen de plaatselijke gewoontes in hielden de mensen er aan de kist te dragen op de schouders.

Een jaar na zijn overlijden, op 24 november 1919, beschrijft pater Decamps voor zijn Provinciale Overste nogmaals het hele gebeuren, en ook de   persoonlijkheid van pater H. Boels. “Je ne veux pas que son nom soit oublié. Religieux exemplaire, il n’a cessé d’édifier ses confrères par sa vie mortifiée et  observante” En in hetzelfde schrijven lezen we :

“Een jaar geleden waren we hier met vieren op dit immense arbeidsveld
dat ons werd toevertrouwd, nu zijn we reeds met elf, we
zijn een juvenaat aan ’t bouwen, in de schaduw van de tombe
van de betreurde pater Boels openden we vorige week een
nieuw huis, en onze Missie werd verheven tot de rang van
Viceprovincie. Zijn overlijden is waarachtig vruchtbaar
geweest”.

Sidebar