Pater Camiel Deman

De familie Deman woonde op het marktplein, hoek van de Papegaaistraat aan de noordzijde. Op de prentenverzameling “Leffinge vroeger en nu” is het gebouwtje duidelijk te zien naast het grote huis, toen huis Boeraeve, nu “De Zwerver”.

Vader Charles Deman (gehuwd met Justine Debever) was een rondreizend verkoper van textielwaren, geen confectiekledij maar stoffen aan de lopende meter. Hoogstwaarschijnlijk vervoerde hij zijn koopwaar op een kleine stootkar. Kamiel, die pater werd, heb ik een paar maal gezien bij een van zijn bezoeken aan zijn geboortedorp tussen de jaren 1928 en 1932. Zijn zuster Urbanie, en een broer van wie ik me de naam niet herinner, heb ik zeer goed gekend. Ze
zijn ongehuwd blijven samenwonen in het geboortehuis. De broer was een stille teruggetrokken man, die weinig omgang had met dorpsgenoten. Misschien kwam het doordat hij over een groot gedeelte van zijn gezicht een sterk opvallende rode wijnvlek had. Urbanie hield winkel. Mogelijk kan ik me
vergissen, maar ik meen me te herinneren dat het geen winkel was van kleerstoffen (een “ellegoedwinkel”) maar een kruidenierszaak. Als kinderen gingen we daar in elk geval “commissies” doen.

Jonge jaren

Kamiel werd te Leffinge geboren op 8 september 1875.
Hij was een intelligente en zeer leergierige jongen die heel graag na zijn Leffingse schooljaren nog wat had bijgeleerd. Aanvankelijk kon het niet. Hij moest mee met vader op zijnzwerftochten, om te helpen met de textielwaren die meegedragen of gevoerd werden. De tochten gingen naar de naburige dorpen: Slijpe, St.-Pieters-Kapelle, Snaaskerke, Wilskerke, Middelkerke, Mariakerke en naar Oostende tot aan “Petit Paris”. Verder in de stad trok men niet meer, want daar waren zaken genoeg waar de Oostendse stedelingen zich konden bevoorraden.

Toch bleef bij Kamiel de drang naar meer kennis en hogere ontwikkeling onverminderd voortbestaan. Zijn vader ondervond het telkens weer op hun tochten.
Wanneer hij zei: “Kom Kamiel, we gaan even die herberg binnen om een poosje te zitten, een glas te drinken en wat uit te rusten”, dan deed hij dat
graag mee. Niet zodra echter waren ze binnen of Kamiel keek reeds rond of daar niet ergens een dagblad of een of ander tijdschrift lag, en zo ja, dan
begon hij onmiddellijk daarin te lezen.

Het was vaders verlangen hem bakker te laten worden, want in zijn eigen bedrijf zag hij voor de jongen niet veel toekomst. Kamiel wilde echter priester worden …. al twijfelde hij zeer eraan of hij dat ideaal ooit zou kunnen verwezenlijken.

Hij kreeg het. gedaan om naar het O.-L.-Vrouwcollege te Oostende te gaan waar hij deels knecht deels student was …. en aldus de kosten van zijn verbijf zo laag mogelijk kon houden. Begaafd als hij was, speelde hij het klaar om op een paar jaar tijd toch een stevige basiskennis van het Latijn te veroveren. Hij  doorliep zeker niet de volledige cyclus van het middelbaar onderwijs, want hij had ondertussen al de leef tijd bereikt om te gaan loten. Hij lootte zich eruit, en ondanks het feit dat hij geen volledige humaniora had gedaan, bood hij zich aan en werd hij ook aanvaard bij de paters Oblaten. Hij trad binnen in het noviciaat te Angers in september van het jaar 1895, daar de paters Oblaten nog geen eigen noviciaatshuis hadden op Belgisch grondgebied. Net tijdens zijn noviciaatsjaar kregen ze er wel een te Le Bestin in de Belgische Ardennen, waarheen de novice dan ook verhuisde. Hij legde er zijn eerste
kloostergeloften af in september 1896. Daarna volgden de studiejaren in het scholasticaat te Luik. Hij moest in het jaar 1902 nog zijn vierde jaar godgeleerdheid doorlopen toen hij reeds naar Waregem werd gestuurd om er leraar te worden aan het apostolisch seminarie dat de paters Oblaten er pas één jaar voordien hadden gesticht. Hij combineerde dus gedurende één jaar de theologiestudie met de leraarstaak. Hij ontving de priesterwijding te Luik op 24 april 1903, en daarmee werd het grote levensideaal dat hij lang meende nooit te zullen bereiken, toch verwezenlijkt.

Eerste activiteiten in eigen land.

De Belgische Provincie der paters Oblaten werd pas gesticht begin 1905. Het was dus nog als lid van de Noord-Franse Provincie dat Pater Deman, na zijn  priesterwijding, zijn werkzaaamheden in eigen land begon. Na een kort verblijf in het toenmalige Oblatenhuis te Nieuwenhove (bij Waregem) werd hij bij het begin van het schooljaar 1903-1904 opnieuw naar de apostolische school van Waregem gestuurd, waar hij leraar bleef tot in 1907. Daarna werd het één jaar Antwerpen en drie jaar De Panne. Tijdens die periode stak hij ook regelmatig een handje toe bij het priesterlijk ministerie in de basiliek van Koekelberg.

Maar de paters Oblaten hebben ook missies, en nog wel in het hoge Noorden. Zijn verlangen ging ernaar uit zich in te zetten daar in de missiegebieden  waarvan Paus Pius XI eens zegde: “Deze missiën zijn de meest smartelijke en de meest schrikwekkende voor de menselijke natuur, maar het zijn ook
de schoonste van de Kerk en de verdienstelijkste voor God”.

Naar het Noordelijk missiegebied.

Zijn zending naar de Canadese missie ontving Pater Deman van de algemene Overste van de Congregatie op 23 juni 1911. De werkzaamheden die hij er  ontplooide volgden mekaar in een zo snel tempo op en lagen zo wijd verspreid, dat we het noodgedwongen moeten houden bij een korte samenvatting
met vermelding van enkele markante hoogtepunten.

De pater was in de provincie Alberta-Saskatchewan werkzaam in de missies rondom Calgary, toen zijn vaderland in de Eerste Wereldoorlog werd meegesleurd. Heel wat landgenoten kwamen als vluchteling terecht in Canada en, fel bewogen door het onzekere lot van die ontheemden, begon pater Deman vanaf het jaar 1915 zich met veel ijver in te zetten voor hun welzijn. Naar zijn oordeel konden ze zich heel goed als kolonist vestigen in het Westen van Canada, en,  naar hij vermoedde, bij voorkeur in de weidse velden van de meer noordelijke streek van Peace River (Vredesrivier), gelegen in Athabaska, waar de  legendarische Mgr. Grouard Apostolisch Vicaris was.

Met goedvinden van zijn plaatselijke Provinciale Overste trok Pater Deman erheen, en vond er, zoals hij had vermoed, uitgestrekte gronden die mogelijkheden boden voor tal van kolonisten. Om die erheen te laten komen moest hij vooraf dienaangaande overeen kunnen komen met de regering van Canada. Hij  ondernam dus de verre reis naar de hoofdstad Ottawa om die zaak te bepleiten. Het was begin 1916. Ondanks het feit dat hij tot steun van zijn project aanbevelingsbrieven van Mgr. Grouard mee had, slaagde hij niet in zijn onderneming. Het Canadese gouvernement hield er duidelijk niet van om, in volle oorlog, een ware exodus van Belgen naar Canada op gang te brengen.

Omzwervingen naar overal.

De tochten van Pater Deman doorheen het Vicariaat van Athabaska hadden evenwel een resultaat dat hij niet had beoogd. Mgr.Grouard had nu van nabij die  onvermoeibare actieve missionaris leren kennen en zag in hem de geschikte man om grondlegger en organisator te worden van de parochie van Peace River, die hij aan het plannen was. Eerst vroeg Mgr. Grouard aan de provinciaal, pater Grandin, om pater Deman een tijd aan hem “uit te lenen”… en later om hem aan hem “af te staan”. Het lukte, en ook de generale overste keurde de overplaatsing goed. Zo werd onze pater de eerste pastoor, grondlegger en  organisator van de parochie “Onbevlekte Ontvangenis” van Peace River. Hij stak er van wal in mei 1916, en toen het pionierswerk er gepresteerd was verliet hij begin 1919 Peace River voor “Pouce-coups” waar toch een talrijke nederzetting van kolonisten van alle nationaliteiten neergestreken was. Hij bleef er tot  september 1921 en trok vervolgens hogerop naar Fort Vermillon waar hij bleef tot september 1926. Daarna ging hij tot 26 november 1927 een handje toesteken op de parochie van Donnelly.

Op die vele posten was pater Deman altijd “onderweg”, te voet, over grote afstanden. Eens verdwaalde hij in het woud. Niet meer wetend welke richting hij uit moest of waaruit of waarin, had hij toch nog voldoende praktisch verstand, om aan een tak naast het bospad een papier vast te maken waarop zijn naam en de richting waarin hij gegaan was. Grote onrust op de missiepost Grouard, waar toen zijn verblijfplaats was. Men stuurde zoekestafetten uit om heel de omgeving uit te kammen. Men vond de dwalende, uitgeput, uitgehongerd, maar levend.

Land en Volk

De streek waar Pater Deman voor zijn missie-apostolaat terecht kwam was niet bewoond door Eskimo ‘s. Die hebben hun woongebied en jachtvelden in nog  meer noordelijk gelegen landstreken. De autochtone bevolking bestond uit Indianen, die men vaak “roodhuiden” noemt, niet omdat ze een rode huid  hebben, maar omdat ze de gewoonte hadden hun huid rood te verven. Benevens zijn apostolische zorg voor de vele verspreide kolonisten nam hij ook de  inheemse bevolking ter harte. Aanvankelijk kwam hij terecht bij de stam der Cries. Een stam die nog bekend stond als zeer oorlogszuchtig en
wreedaardig, maar die, zoals de meeste Indianenstammen, reeds fel uitgedund was.

En dan het klimaat! Schommelend naargelang van de breedtegraad duurt de winter er van 7 tot 9 maand per jaar. Alles ondergesneeuwd en een gemiddelde temperatuur die ligt tussen de 25 en de 30 graden Celsius onder het vriespunt. “Gemiddeld”, want er komen pieken voor van 40, 50 tot 60 graden minus.

In dit gebied bleef de pater werkzaam tot 1922. Toen hij meer noordwaarts verbleef in de streek van Peace River en Fort Vermillon, trof hij er zwervende Indianen aan die horen tot de grote volksgroep der Deneezen, die nog verder wordt onderverdeeld in acht stammen. Pater Deman was er in hoofdzaak werkzaam bij de stam der Castors. Ondanks zijn 47 jaar leerde hij er opnieuw een inlandse taal. In die eindeloze sneeuw- en ijsvelden was Pater Deman meermalen gedurende een hele tijd alleen pastoor van een parochie waarvan de grootste helft van de parochianen verspreid woonde over een uitgetrektheid van 250 km. in de lengte en in de breedte.

Rust en nieuwe arbeid

Het was voorspelbaar dat het gestel van de pater, dat al niet van de sterkste was, onder zo’n leven moest begeven. Een rustkuur drong zich op. Een  rustperiode op de missiepost Grouard bracht geen oplossing. Hij was aangewezen op een milder klimaat. In augustus 1928 kwam hij, afgemat en ziek,
terug naar zijn geboorteland. Zodra zijn gezondheidstoestand het toeliet, werd hij weer, zoals in zijn eerste kloosterjaren, leraar te Waregem. Hij bleef het tot 1932 en dan mocht hij tot zijn grote vreugde terugkeren naar zijn geliefde missie.

Hij kwam zijn dorp nog eens vaarwel zeggen en ondanks zijn 57 jaar vertrok hij in 1932 voor de tweede maal naar zijn vroeger missie-vicariaat, dat in 1927 bij pauselijke Breve de naam gekregen had van “Vicariaat van Grouard”, als eerbiedige hulde aan de grote Missiebisschop van het hoge Noorden. Zijn bestemming was opnieuw Fort Vermillon, maar eerst ging hij enkele maanden de pastoor-missionaris Pater Ebert vervangen te North Star, opdat die een tijdje terug kon
keren naar zijn heimat. Daarna werd hij weer, met Fort Vermillon als vaste basis, de rondtrekkende missionaris die, zoals de eerste grote zendeling der volkeren St.-Paulus, alle gevaren van reis en natuurelementen trotseerde om de blijde boodschap uit te dragen, of de trouwen erin te bevestigen. Het duurde tot 1938, en dan werd zijn basiskamp Tangent, van waaruit hij opnieuw rondtrok naar de omliggende missieposten, en… wat men in het onmetelijke Canada
“omliggend” noemt kan best een paar honderd kilometer ver af zijn… Het duurde tot januari 1941 … en dan was het duidelijk dat de rusteloze man het wat kalmer aan moest doen. Hij trok zich terug in de post St.-Augustinus te Peace River waar hij nog de zondagpredikatie hielp verzorgen zolang zijn krachten
het toelieten, en dat was tot januari 1948.

Totaal opgebruikt werd pater Deman alsdan overgebracht naar het ziekenhuis (ook een soort rusthuis) St.-Theresia te Gamelin bij Montreal. De rusteloze man die zovele honderden, ja zelfs duizenden kilometer had gemarcheerd, bracht er nog vier jaar door in een voor hem ongetwijfeld zeer pijnlijke inactiviteit. De verlossende dood kwam op 13 augustus 1952. Zijn lichaam werd ter aarde besteld op het kerkhof “Richelieu” der paters Oblaten, dat gelegen is in de Provincie Quebec waar hij nooit missiearbeid had verricht.

Sidebar