Pastoor Franciscus Cannepeel

Frans Canepeel, geboren te Pittem in 1841, werd priester gewijd in 1869 en was  achtereenvolgens medepastoor te Steenkerke, Voormezele, Sijsele en in 1880 te  Eernegem. In 1894 werd hij tot “proost” benoemd met de opdracht een nieuwe parochie op te richten in de omgeving van Bulskampveld en de bossen van Wingene  en Beernem: Wildenburg.

Succescarrière in Wildenburg

Aldaar bezat de adellijke familie Frederic Van de Bruggen de Nayer een uitgestrekt heide- en moerasgebied, dat ze trapsgewijs door het delven van afwateringssloten en het aanplanten van bomen in vruchtbare grond had weten om te zetten. Frederic van de Bruggen liet er een kerk bouwen naast zijn kasteel “Blauw Huis”, alsook een klooster, een school en een bejaardentehuis.

Voor zijn inzet voor het goede doel erd hij door koning Leopold II tot baron verheven.

Bisschop Gustave Waffelaert stuurde er pastoor Canepeel als de gepaste man met doordrijvingsvermogen om de uitdaging van de nieuwe stichting te verwezenlijken.  Niet dat het van een leien dakje liep: het gemeentebestuur en de kerkraad van  Wingene hadden het moeilijk om zomaar 1611 ha af te staan. Toch slaagde de  bemiddelaar en doordrijver Canepeel erin zelfs nog een stuk van Ruiselede in te talmen; ook de (veelbesproken) burgemeester De Vrière van Beernem stond 200 ha af voor de nieuwe parochie.

De adellijke familie van het kasteel was de pastoor genegen en op 1 augustus 1897 had de plechtige inhuldiging plaats met een prachtige stoet. Het kerkje aan de  Beernemsesteenweg – een bezoekje meer dan waard – bevat een zijvleugel aan de rechterkant tegenover het altaar, waar de kasteelbewoners via een zijdeur binnenkwamen en ongezien zicht hadden op de celebrant.

Pastoor van Leffinge

Na zes jaar onvermoeibare inzet liet de pastoor een bloeiende parochie achter, toen hij van het bosrijke zuiden verplaatst werd naar het blote noorden: Leffinge, een uitgestrekte gemeente met een rijk historisch verleden. In verband met deze transfer vernam ik een markante anekdote. Begaafd met het woord, zou de pastoor in een f l a m b o y a n t e preek gestoord zijn geweest door het gedrag van de jonge  kasteelbewoners en in een opwinding uitgeroepen hebben: “Het moet gedaan zijn met dat lawaai in dat berenkot!”. Toen de tuinman van het kasteel ’s anderendaags de pastoor ontmoette, zei hij: “Mijnheer pastoor, ge moet toch voorzichtig zijn met uw uitspraken”. Het antwoord luidde: “Ik sta hier zo sterk als de eik voor de kerk”. Het toeval wilde nu dat kort daarop bij een onweer de bliksem die eik velde en de  pastoor overgeplaatst werd naar Leffinge!

Feitelijk was pastoor Canepeel de geknipte man om in die gemeente met haar nieuwe kerk “de kathedraal van het noorden” in de smelthaard van politieke tegenstellingen de kerk in het midden te houden. Op 11 maart 1903 werd hij plechtig met een kleurige stoet geïnstalleerd. Wat hij in die laatste vijf levensjaren met mateloze inzet heeft verwezenlijkt, is onvoorstelbaar. Dat hebben we kunnen vernemen in een uitgebreid artikel van de Zeewacht van 30 oktober 1908 over zijn uitzonderlijke begaafdheid in het uitoefenen van zijn herdersambt en door de erkentelijkheid van de gelovigen op zijn uitvaart.

Uitvaart

Pastoor Canepeel stierf, moegewrocht en uitgeput, op 27 oktober 1908. Op die woensdag 27 oktober kwam toevallig een detachement van het 3de linieregiment voorbij, het muziekkorps hield plots halt voor de pastorie en kolonel Vanden Einde en majoor Verstraete brachten de overledene een laatste groet. Op zaterdag 30 oktober had de begrafenis plaats onder enorme belangstelling. Begeleid door de plaatselijke fanfare en het Oostendse muziekkorps, stapten tal van bonden en confrerieën met vlag en wimpel in de rouwstoet. De kerk was met rouwfloers omhangen. Onder de massa bevonden zich tal van prominenten: alle pastoors en dekens van het omliggende en vertegenwoordigers van het bisdom, te veel om op te noemen. Pater Patricius, capucijn, die de aflijvige in zijn laatste uren had bijgestaan, verzorgde de homilie. Zijn treffend sermoen had veel gelovigen tot tranen ontroerd en eindigde met de laatste woorden van de overledene: “Heer, indien nodig, ben ik bereid voort te lijden, maar uw heilige wil geschiede”. Bij de offerande werden 1200 bidprentjes uitgedeeld. Na de afscheidsgebeden sprak gouverneur Hendrik Baels een indrukwekkende lijkrede uit, die trouwens volledig in de Zeewacht werd opgenomen.

Sidebar