Odiel Spruytte, een kapelaan

Als inwoner van een Middelkerkse deelgemeente, gaan we ons soms eens afvragen, waarom de straat waarin wij wonen die specifieke benaming heeft  gekregen. Vele van deze benamingen zijn heel makkelijk te verklaren omwille van één of andere bekende figuur, plaats of gebeurtenis. Andere blijven gehuld in een mysterieus verleden.

Toch doen de gemeenten ernstige inspanningen om met een klein woordje uitleg de herkomst van straatbenamingen uit te  leggen. Er zijn echter heel wat benamingen die moeilijk thuis te wijzen zijn en bij haar bewoners alsdusdanig niet te verklaren. Misschien zijn sommigen dan ook niet gelukkig om in één of andere straat te wonen, maar anderzijds kunnen benamingen soms een hele vreemde geschiedenis verschuilen. Er is
inderdaad werk aan de winkel om over heel Middelkerke de diverse straatbenamingen te verklaren. En tenslotte ‘What’s in a name?’.

De keuze van de ‘Odiel Spruyttestraat’ is daar ook niet vreemd aan. Ouderen onder de Slijpenaars herinneren zich deze figuur nog wel als onderpastoor in het dorp, anderen kennen hem waarschijnlijk vanuit zijn kerkelijke bediening, nog anderen zullen hem steevast situeren in zijn belangrijke positie binnen de Vlaamse Beweging. Daarom ook intirgeerde de figuur van kapelaan Spruytte ons en zijn wij gaan grasduinen in enkele belangrijke naslagwerken om de figuur van de onderpastoor kort te beschrijven.
In 1935 arriveert kapelaan Spruytte in Slijpe. Zijn overplaatsing naar dit ‘godvergeten’, maar rustig boerendorp achter de kust doet hem niet goed. Hij aanvaardt deze b i s s c h o p p e l i j k e beslissing op geen enkel vlak, meer zelfs, hij beschouwt het als een straf, misschien zelfs… een afrekening. Niettemin
zal priester Spruytte een zeer vooraanstaande rol spelen in de Vlaamse Beweging. Zijn sterke vriendschap met andere belangrijke Vlaamse vooraanstaanden getuigt zijn belang van de Vlaamse ontvoogding. In het hiernavolgend artikel willen we dan ook nader kennismaken met Odiel Spruytte en zodoende voor velen een tipje van de sluier optillen.

De jonge Odiel wordt, als oudste van zes kinderen, geboren op zondag 5 juni 1891 te Rumbeke. Vader Pieter-Jacob (1849- 1914), landbouwer, is reeds 41  jaar, als hij op 7 mei 1890 met de negen jaar jongere Sylvie Vanackere (1858- 1944) huwt. Na de geboorte van de oudste telg volgen nog vijf kinderen, die net als Odiel, een strenge, maar l i e f d e v o l l e opvoeding krijgen.
In het plattelandsschooltje van Rumbeke loopt hij school van 1897 tot 1902. In oktober van hetzelfde jaar vertrekt hij naar het Kleinseminarie in Roeselare.  Met het Frans als voertaal wordt hij laureaat en primus perpetuus van zijn jaar. Acht jaar slijt hij in Roeselare en onder invloed van pastoor Slosse  (°1842-+1920) van Rumbeke kiest hij resoluut voor het priesterschap. Vanaf 1910 loopt hij twee jaar wijsbegeerte aan hetzelfde Kleinseminarie en volgt vier jaar theologie in het Grootseminarie te Brugge. Na enkele woelige oorlogsjaren wordt Spruytte priester gewijd op 17 juni 1916 door bisschop Waffelaert. Zijn moeder krijgt van de Duitse bezetter geen Schein en kan de plechtigheid van haar zoon niet bijwonen. Dicht bij zijn geboortedorp wordt hij in Beitem  hulppriester. Op 2.09.1918 wordt hij retoricaleraar in Izegem en op 5.05.1919 surveillant aan de Normaalschool te Torhout. Slechts drie dagen en hij vertrekt onmiddellijk naar het O.-L.-Vrouwecollege naar Oostende.
In 1919 begint hij zijn studies theologie aan de universiteit van Leuven. Pas dan ondergaat de jonge priester de invloeden van de Vlaamsgezindheid. In 1920 richt Dr. Jef Coossenaerts een geheim (mysterieus?) genootschap op met name “HET VEEM ICK WIJCK NIET AF”, het moet de ruggengraat van de Vlaamse strijd worden. Onder de leden ontdekken we onder ander Cyriel Verschaeve, Jeroom Leuridan en Joris Van Severen. Hier legt Spruytte de basis voor zijn  eigen inzicht in de evolutie van de Vlaamse Beweging. Hij zou er nooit meer aan verzaken.

Van hogerhand moet hij in 1921 zijn studies theologie afbreken en wordt door de bisschop tot proost van de Sociale werken in Izegem aangesteld bij de  oprichting van het A.C.W. Hij wil er een nieuwe beweging opbouwen die zowel op sociaal als op Vlaams gebied voldoet aan de moderne maatschappij-  opvattingen vanuit een ‘christelijk katholicisme’. Hij bruist van enthousiasme, geeft vele spreekbeurten over allerhande maatschappelijke problemen. Hij gaat  ook steeds meer en meer schrijven voor allerhande bladen. Doch na jaren vruchteloze pogingen ziet hij geen verder heil in hervormingen. Zover zelfs dat de A.C.W.-vleugel zich definitief afscheurt van Spruytte. Een opdoffer die hem zonder ommewegen de weg naar een radicaal, zelfstandig Vlaams nationalisme en anti-belgicisme instuurt. Hij sluit zich aan bij de groep van ‘les petits vicaires’ met o.a. Leo Dumoulin, Maurit Geerardyn en … Cyriel Verschaeve. Nochtans is Spruytte heel voorzichtig in het verlenen van medewerking aan de initiatieven die een nationalistisch etiket dragen. Hij steunt vooral de Vlaams nationalisten binnen de eenheid van de katholieke partij. In het tijdschrift “Onze Jeugd” is hij de ‘denktank’ van de katholieke Vlaams nationalisten. Door het conflict in Izegem is Spruytte een gevaar geworden voor de katholieke partij. Hij vraagt aan de bisschop om overgeplaatst te worden. Deze laatste stemt toe en in
augustus 1925 verblijft hij één maand in de vakschool te Oostende.

In september 1925 wordt Odiel benoemd tot kapelaan in Zwevegem. Het wordt zijn mooiste periode uit zijn leven. Als redacteur van Jong Dietschland (van 1927-1933) schrijft hij vele artikels onder diverse pseudoniemen. Hij manifesteert er zich als een uitgesproken tegenstander van de parlementaire democratie,
maar verwerpt evenzeer de nationaal-socialistische rassenleer. Na de stichting van het V.N.V. wordt hij de geestelijke raadsman van Staf de Clercq. Hij schrijft voor hem tientallen artikels en redevoeringen. Ook Jeroom Leuridan en Reimond Tollenaere staan sterk onder zijn invloedssfeer. De Vlaams-nationalist Spruytte is definitief geboren.

Op 3 september 1925 vertrekt onze ‘petit vicaire’ naar Zwevegem bij Kortrijk. Tijdens zijn eerste jaren in Zwevegem geeft hij tientallen voordrachten. Hij leest tot in de late uurtjes, met op zijn favorietenlijstje : Balzac, Maeterlinck, Oscar Wilde en Dostojewski. Uren luistert hij naar de radio (hij had geen grammofoon) en luistert met veel aandacht naar Beethoven en Wagner. Midden december 1926 krijgt hij een bisschoppelijke vermaning omdat hij te resoluut de pen van het Vlaamsnationalisme trekt. Vanaf 1927 werkt hij mee aan het nieuwe weekblad ‘Jong Dietschland’. Het blad wordt door de kerk de grond ingeboord omdat het de kant van het Nationaal Socialisme kiest. Ook Spruytte krijgt van hetzelfde laken een broek.

Van Severen probeert de jonge kapelaan te winnen voor het Verdinaso en beschimpt Leuridan en Declercq nogal spottend. Dit zint Spruytte allerminst en daarbij gaat hij niet akkoord met het ‘dictatoriale leidersbeginsel’ van ‘van Severens Verdinaso’. Met de oprichting van het V.N.V. op 7.10.1933 sluit Spruytte zich onmiddellijk aan en … breekt definitief met van Severen. Ondanks zijn vele vergaderen met de Vlaamse kopstukken vindt hij nog de tijd om zijn  parochiewerk te verrichten. Hij wordt door de vele parochianen van Zwevegem beschreven als een open, hartelijk, begrijpend en jongvoelend priester. Hier vergeet hij zijn basis niet en houdt zo voeling met de bevolking, die hem op passende momenten op handen draagt.

Vanaf 12 augustus 1930 verandert de sfeer in de omgeving van kapelaan Spruytte door de komst van kapelaan Pieter Sintobin. Gedurende de eerstvolgende jaren groeien beide priesters volledig uit elkaar. Beiden staan regelrecht tegenover elkaar en de sfeer wordt steeds grimmiger. Dit bereikt uiteindelijk zijn toppunt na een spreekbeurt van Spruytte over het Italiaans fascisme in januari 1934. Reeds vlug blijkt de Heilige-Geeststraat in Brugge op de
hoogte van het dispuut en de aanhangers van Spruytte verliezen het pleit: hun kapelaan moet vertrekken in 1934.

Hij wordt één jaar als onderpastoor in Wervik aangesteld, maar voelt er zich niet op zijn plaats. Odiel is ongelukkig en in februari ’35 is hij zo ziek dat hij zijn  geestelijke overheid vraagt om dringend enkele maanden naar het zuiden van Frankrijk, m.n. naar Nice te trekken en hij krijgt er ook de toestemming voor.

30 april 1935: terugkeer van Spruytte in zijn bisdom, hij mag ogenblikkelijk verhuizen naar zijn laatste bestemming in opdracht van zijn bisschop Lamiroy, die  hem allesbehalve goedgezind is.

Ondertussen is ‘Pire’ Sintobin uit Zwevegem ‘weggepest’, Spruytte kon er blijven rekenen op een enorme sympathie, die hij later in Slijpe ook zou ervaren. Spruytte treurt en wordt een verbitterd man. Als kapelaan van 1300 parochianen komt dit voor de onderpastoor aan als een veroordeling, een verbanning. Of zouden ze toch ernstige zorgen maken voor zijn gezondheid en schrijven ze hem een langdurige rust voor? Zijn arts raadt hem ‘de rust’ van Slijpe aan, hier zou hij die innerlijke stilte moeten vinden. Maar … Slijpe had vroeger nooit een onderpastoor! Hij woont er met zijn neus op het kerkhof en … naast de pastorie. Voeg daarbij dat de pastoor Anscharius Renatus LAGAE (°1878-+1945, pastoor van Slijpe van 1932 tot 1941) er één is ‘van den ouden stempel’. De ‘marte’ van de pastoor gaat eveneens niet vrijuit en wordt beschreven als een echte spionne, een ware luistervink. Zo noteert ze de kentekenplaten van de geparkeerde auto’s, gaat over de muur gluren via een ladder… . De dienstmeid van Odiel, Laura Ghesquière neemt het op voor haar kapelaan en… blijft hem trouw.
Elke dag voelt de onderpastoor de adem van zijn overste in zijn nek. Reeds van bij de aankomst in 1935 in Slijpe blijkt de relatie tussen beide priesters zeer  gespannen. Bij elke gelegenheid wijst de pastoor zijn kapelaan terecht. Bij begrafenissen en huwelijken vraagt Lagae priesters uit nevenparochies om hem bij
sommige diensten te helpen. Spruytte krijgt steeds weer het deksel op zijn neus en voelt … hoe overbodig hij is. Denken ze werkelijk aan zijn gezondheid?

Meerdere malen moet hij bij bisschop Lamiroy op het appèl verschijnen. Hij wordt zelfs nergens gevraagd als proost. Gelukkig voelt Spruytte zich sterk genoeg om zich hierboven te zetten. Hij waant zich veel gelukkiger dan de meeste priesters die fiks op het lijntje lopen, gevangen op hun ‘ere’posten. Want ook in Slijpe is Spruytte een geliefd persoon. Hier heersen geen twee clans zoals in Wervik. Zijn hulp gaat vooral naar de behoeftige gezinnen. Hij blijft veel lezen en ontvangt via de post zijn leesvoer of haalt dat bij een Oostendse boekhandel. Met de fiets bezoekt hij zijn parochianen, maar er blijft nog ontzettend veel tijd
om te lezen en te schrijven. Spruytte kwijnt langzaam weg in dit godvergeten gat. Bijna elke dag ontvangt hij bezoek: veel studenten, kunstenaars, geestelijken en politici. Ook Stijn Streuvels trekt regelmatig naar het polderdorp aan de kust. Spruyttes gezondheid taant verder weg. Hij maakt een laatste buitenlandse reis in juli 1939 naar de Zwitserse bergen omwille van zijn gezondheid. Onderpastoor Spruytte hunkert naar bezoek, vooral studenten komen bij hem over de vloer om te praten over alles en nog wat! Zo ook komt Jozef Hosten regelmatig over de vloer. Deze student geneeskunde (RUG) werd in  Leffinge geboren in 1913.

Voor kapelaan Spruytte is vriendschap heilig. Het grootste deel van zijn tijd schrijft hij politiek getinte artikels. In een brief aan zijn vriend onderwijzer Couckuyt van Zwevegem schrijft hij in zeer openhartige taal zijn ongezouten mening over de doorsnee- Vlaming. Wij citeren : ‘Hoe ooit uit deze domme trage massa van bierdrinkers en baankoersers een edel volk groeien zal weet ik niet. Ze schijnen mij meer gemaakt om koeiewachter of peerdeknecht te zijn en te blijven. De koeiers van Europa: ziedaar de Vlamingen.’

Spruytte rekent niet af met dé Vlaming maar met de toenmalige bewindslieden en wantoestanden. Een even openhartige en vriendschappelijke relatie had  de onderpastoor met pater Callewaert. Op 24 mei 1937 gaat hij spreken voor het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudenten Verbond in Oostende over het ‘Volk als wijsgerig vraagstuk’. Enkele maanden later publiceert Spruytte in het katholiek intellectueel tijdschrift ‘Kultuurleven’ zijn eerste Nietzsche-studie. Dit is zijn eerste uiting van zijn doorgedreven kennis over de figuur van Nietzsche en diens theorieën. Hij verklaart dat het nationaal socialisme in grote mate  ontstond aan de geest van Nietzsche, maar hij is ook niet mals met zijn kritiek. Meer en meer wordt Spruytte de ‘ideologische draaischijf van de radicale Dietse V.N.V.-vleugel. Doch nergens vinden we enig lidmaatschap van het V.N.V. Hij stort zich op het schrijven van teksten voor Reimond Tollenaere, Jeroom Leuridan en Staf De Clercq. Hij wordt de geestelijke raadsman van de laatste. Met Nieuwjaar ’40 schrijft Spruytte een emotionele brief aan Callewaert. Hij klaagt hoe zwaar de gedwongen eenzaamheid en verlatenheid in Slijpe hem valt. De onderpastoor heeft een zware griep, maar volgt gespannen de ‘drôle
de guerre’-sfeer in Europa. Hij hoopt dat na het vechten er vlug vrede komt. In mei ’40 komt Manu Ruys bij Spruytte op bezoek, nadat Oostende door de  Duitse luchtmacht gebombardeerd wordt.

Hij beschrijft de kapelaan later in zijn dagboek, hoe bleek en ziekelijk de man eruit zag. We bezoeken, zo schrijft hij, een pastoor te lande en vinden er een geleerde. Samen beluisteren ze de nieuwsberichten via de radio. Op 19 mei 1940 vlucht de onderpastoor. Maar eerst verbrandt hij een groot deel van zijn
archief of werpt het in de beerput. Naar alle waarschijnlijkheid wilde hij niemand compromitteren. Na enkele dagen komt hij terug. Hij schrijft verafschuwend over de bezetting, maar een politieke en administratieve collaboratie vindt hij noodzakelijk. Hij ontvangt het bezoek van Victor Leemans en Paul Beeckman. Tijdens de zomermaanden bestelt hij het ‘Jezusboek’ van Verschaeve. Hij schrijft hem nog een brief met zijn gelukwensen bij zijn aanstelling als voorzitter van de Vlaamse Cultuurraad. Ward Hermans komt hem opzoeken, maar zijn chauffeur, René Lagrou (oprichter van de Vlaamse SS) wordt niet toegelaten in de onderpastorie. Eén van zijn laatste brieven is gericht aan de hoofdredacteur van ‘Volk en Staat’, Jan Brans, een schrijven vol tips. Spruytte takelt af en moet in bed blijven. Verschaeve komt hem nog eens bezoeken op zijn ziektebed.

Op zaterdag 23 november 1940 sterft Spruytte in het bijzijn van zijn broer. Hij is amper 49. En schrijft pater Callewaert : ‘Hij was Vlaanderen, lijk God het  wilde’.

Sidebar