Leffingse geitenkwekers na WO I

Kort na de eeuwwende 1900 kwamen de mensen, mede door de opkomst van de uiteraard sociaalbewogen socialistische partij, tot het besef dat de werkende mensen ook wel recht hadden op een menswaardig bestaan.

Geleidelijk aan verbeterden de werkomstandigheden door betere reglementering van de werkuren: in 1909 werd de arbeidsduur beperkt tot 9 uur per dag; door het verbod op kinderarbeid: vanaf 1889 mochten kinderen onder de twaalf jaar niet meer in fabrieken of in mijnen werken en in 1914 kwam de leerplicht: tussen de zes en de veertien jaar moesten de kinderen naar school.

Ook aan de leefomstandigheden werd er terecht gewerkt: de arbeiders werden meer bewust gemaakt van het feit dat ze gezonder en gevarieerder konden eten. Ze konden weliswaar geen rundsvlees betalen en ook het mooie varkensvlees was meestal niet voor hen weggelegd. Daarom werden ze ertoe aangezet dieren te kweken zoals geiten, schapen, kippen en konijnen.

Zo werden onder andere overal te lande geitenbonden opgericht. De geitenkweekbond van Leffinge werd in 1907 opgericht met de volgende doelstellingen :

De Leffingse geitenkwekers

Ook in Leffinge werd een geitenkweekbond opgericht. Onder de leden werden er prijskampen georganiseerd, er werden voordrachten gegeven en het kweken werd gereglementeerd om betere resultaten bij het fokken te bekomen. Zo mocht een bok slechts twintig geiten bedienen. Zo slaagden de vakleden erin geiten te kweken die 3 tot 5 liter melk per dag gaven en dit gedurende 8 tot 10 maanden per jaar. De huismoeders maakten van de melk boter en kaas. De meestal kroostrijke gezinnen, konden er maar wel bij varen.

De oorlog kwam en de Leffingenaren ondergingen de zware oorlogsomstandigheden met opeisingen allerhande, met lasten betalen, met inkwartiering van Duitse troepen, met het stelselmatig leegplunderen en vernielen van de bezittingen van de inwoners en met de bombardementen waarover Jean-Marie Barra verhaalt in zijn “Oorlogskroniek Leffinge”.
De boeren waren al veel runderen en paarden kwijt en dan was het de beurt aan de arbeiders.

Opvordering van de Leffingse geiten

Op 3 mei 1917 was het zover; zoals de tekst van  de “Bekendmaking” in bijlage vermeldt, moesten alle geiten ingeleverd wor-den op de weide van Hendrik Faict achter de kerk. Dit zal een enorme schok onder de bevolking teweeggebracht hebben: de mensen beseften heel goed dat ze niet te veel eten meer zouden hebben.

Het was immers al een jaar en meer dat ze een bepaald aantal eieren moesten inleveren. Volgens de vele smeekbeden die overgebleven zijn, was dit voor de bevolking met de vele kinderen dramatisch te noemen. Ook nu werd aan het gemeentebestuur een verzoekschrift verzonden teneinde dit ongeluksbevel teniet te doen, maar tevergeefs, de geiten moesten, op straffe van strenge boete of gevangenis, geleverd worden.

Voordien hadden Duitse Feldgendarmes de ronde van de gemeente gedaan om de namen van de geitenkwekers te noteren. Dat de Duitsers zich met dit werkje bezig hielden, kan afgeleid worden uit het feit dat bijna geen enkele familienaam juist geschreven is. Naast de namen vermeld in de officiële lijst van de Geitenkwekersbond, konden ze hier en daar nog een geit registreren.
We volgen even de treurige tocht van de Duitse gendarmes.

In de Slijpestraat zijn er geiten bij weduwe Henri Baeckelandt, August Dekeyser, Henri Jonckheere, weduwe Vandenhouweele, Alois Vanhooren, Charel Vanoverschelde en Cornil Verdonck.
In  de  Zevekotestraat   bij  Kamiel   Despodt,   Kamiel   Hoornaert,  Kamiel

Vandepoele en August Ryckebusch.
In de Wilskerkestraat bij Louis Ameloot, Philip Ameloot, René Decoster, Oscar Delaeter, Denis Vanhille en Modest Vermote.
In de Papegaaistraat bij Désiré Deconinck, Oscar Maes, René Matte en Livin Pauwels (beide laatsten zullen elk twee zoontjes verliezen in het bom- bardement eind juli 1917).
In de Oostendestraat waren er nog geiten bij Charel Feys, Charel Cicou, Henri Dejonghe, Vital Deprez, Charel Mares, Charel Ureel, Emiel Claeys, Frans Vyncke, Cornil Boury, Achiel Boury, Eduard Dekeyser, Henri Germonpré en Joseph Vanborm (of Vanbon).
Naast dezen vinden we nog in de officiële lijst mensen als Charles Belligh, Henri Bullynck, Henri Deconinck, August Peene-Decoster, Desiré Derieuw, Hector Despodt, Louis Hannon, Henri Hosten, Cyrille Luca, Kamiel Mares, Achille Muyllaert, Seraphin Opstaele-Vergauwe, Georges Terrijn, Henri Volcke-Vermote en tenslotte Henri en August Vanloo.
Door deze maatregel waren de mensen beroofd van hun voedsel, hun dieren en hun eer. Het eten van aardappelschillen kwam dan ook veelvuldig voor. Ook het resultaat van jaren intens fokken werd met één pennentrek van de bezetter teniet gedaan

Sidebar