IJslandvaarders van Westende en Lombardsijde

Pol Corteel, de laatste IJslandvaarder uit Westende voer acht keer mee naar IJsland. Hij voer nog naar het geheimzinnige eiland op een bootje met zeilen en masten die soms door de stormen afgeknakt werden alsof het luciferstokjes waren. Zes maanden waren ze weg van huis en als ze terug thuiskwamen met de kabeljauw die ze gevangen hadden met de lijn, dan hadden ze… enige franken verdiend. Maar als je ’t mij vraagt, verklaarde Pol in 1953, dan zou ik het met heel m’n ziele opnieuw doen.

Pol Corteel was nog één van die kloeke grijsaards, overgebleven uit een sterk geslacht van vissers die jarenlang gekampt hebben met de stormen en de koude  van de verre IJslandse wateren. Het waren mensen die gewroet en geleefd hebben in omstandigheden waarvan wij nu geen voorstelling meer kunnen maken. Mensen die zwarte sneeuw hebben zien vliegen maar, die ondanks alles, soms tien kinderen grootbrachten. Het was een ras van stoere zeebonken, die het durfden zeggen zoals ze het dachten, ongeschaafd en onopgesmukt, maar met een hart eerlijk als goud.

Varen op IJsland

De IJslandvaart zoals Pol Corteel die kende, met zeilboten, is teloorgegaan op het einde van de 19de eeuw.
Hoe en wanneer precies de IJslandvaart vanuit Vlaanderen begon, is niet met juiste zekerheid bepaald. Volgens auteur J. Filliaert staat het wel vast dat, omstreeks 1425, Hollandse en Duitse kooplieden na de Engelse naar IJsland trokken om er kabeljauw en stokvis te gaan opvissen. Deze vissers brachten ook witte IJslandse valken terug mee naar hun thuishavens. Het is zeker niet uitgesloten dat op de grafelijke burchten in Vlaanderen IJslandse valken bij de jacht werden gebruikt.

Zo kan, nog steeds volgens Filliaert, verondersteld worden dat ook Vlamingen reeds naar de IJslandse wateren voeren. Verder verhaalt hij in zijn werk hoe
IJslanders naar onze gewesten handel kwamen drijven.

Een zekere Schapelinx uit Brugge durfde het omstreeks 1660 aan om de kabeljauwvisserij te beoefenen. Omstreeks 1675 voeren enkele Nieuwpoortse  schepen op IJsland. In 1727 werd te Nieuwpoort een “Compagnie van Vischvaart” opgericht die de IJslandse visgronden aandeed. In 1782 telde de vissershaven van Nieuwpoort een vijftigtal IJslandse schepen. Op het einde van de achttiende eeuw begon echter het verval. Stilaan verdwenen de Vlaamse rederijen die zich om deze tak van visvaart bekommerden. Het was Duinkerke, waar reeds zeer vroego p IJsland gevaren werd, dat de bovenhand haalde.

Even nog kende men in de helft van de negentiende eeuw een kleine wederopleving, maar omstreeks 1880 kwam te Nieuwpoort de kabeljauwvisserij helemaal in verval. Een tiental jaren later verviel ook de IJslandvaart te Oostende. Van nu af aan waren onze Vlaamse IJslandvaarders volledig aangewezen op Duinkerke. Ze moesten zich laten aanmonsteren op Franse schepen, waar zij volgens de Franse wetgeving slechts één vierde van de bemanning mochten uitmaken. Verder dan de job van gewone matroos, de laagst betaalde baan aan boord van het schip, konden zij ook niet geraken.

IJslandvaren voor harde bonken

Er waren verschillende typen van IJslandschepen. De Hollandse galjotten of fluiten, de doggerschepen (dog is een oud woord voor kabeljauw), de  beunsloepen en de Duinkerkse schoeners met twee masten. De grootste boten hadden een kiellengte van amper twintig meter.

In de 18de eeuw hadden de Nieuwpoortse schepen een bemanning van om en bij de twaalf koppen. Doggers en beunsloepen waren bemand met zes tot  acht koppen en de Duinkerkse schoeners hadden gemiddeld twintig man aan boord: achttien zielen en twee jongens. Die jongens waren kinderen van tien  tot veertien jaar die meegingen als manusje van alles. Ze werden door de vissers niet als zielen beschouwd.

De Vlaamse IJslandvaarders wisten steeds, dank zij hun werklust en bekwame stielkennis, waardering voor zich af te dwingen.

Toch werden ze steeds, onder de vissers, als een volk apart beschouwd. Ze kwamen meestal uit de omgeving van Nieuwpoort, Oostduinkerke en Koksijde.

Onder hen kende men ook enkele avonturiers die voor het hard labeur kozen omdat ze zo de miserie van thuis konden ontvluchten of meestal omdat ze niet meer wisten van welk hout ze pijlen moesten maken. Het was een volk van noeste arbeid. Zij leefden in omstandigheden die nu bij ons niet meer doordringen. De vissers woonden met hun vrouw en hun vele joengens in een onmogelijk klein vissershuisje, ergens in de duinen verscholen. Hun spijskaart
kende weinig afwisseling: aardappelen, ajuinsaus en af en toe wat vis. In hun luttele vrije uren leurden ze met gedroogde vis of slaafden zich uit om op de schrale duinengrond wat groenten en aardappelen te kweken. Met tussendoor nog wat strandvisserij hielden ze, dapper als ze waren, het hoofd boven water.

Dagelijks leven op zee

Koksje van Elverdinge uit Lombardsijde maakte zeven reizen naar IJsland. In z’n interview uit 1953 vertelde hij op z’n vijfenzeventigste hoe hij gefascineerd was door de vele schoonheden van het geheimzinnige eiland op 2000 km van thuis. “Moest ik rike zien, ‘k zoen Island gaan afkieken. Doar is tenminste wat te zien…” Tijdens zijn eerste reis kroop hij als scheepsjongen in de mast bij het naderen van de IJslandse kust. ’t Was al torre en kerke da’k zag.

De torens en kerken van Koksje waren niets anders dan de rotsen en de bergen, waaronder de Hekla, die men reeds van op twintig mijl voor de kust kon waarnemen. De IJslandvaarders naderden het eiland meestal nabij het Engels Hoofd, midden de zuidelijke kust. Van uit deze positie konden ze zowel west- als oostwaarts verder varen op zoek naar visgronden. IJsland heeft een grillige rotskust, met vooruitspringende landtongen, ontelbare bochten en baaien.

Tussendoor ziet men het land liggen, met in de verte de Witte Berg. Tussenin bevindt zich de “Weg naar Rome”, een trap die door erosie ontstaan is in de basaltrotsen. De oude vissers vertelden aan de jonge snaken dat deze trap de weg was naar de “Eeuwige stad”. Deze grillige kust, met de talrijke eilandjes  ervoor, was een ideale schuilplaats voor kabeljauw. Het was naar deze gronden dat de schepen hun steven richtten.

Zo’n IJslandvaart duurde meestal zes maanden. Eén keer werd in een baai aangelegd om water en voedsel te bevoorraden. Voor de rest zocht het schip z’n weg tussen de klippen op de oneindige plas, vaak in storm en ijzige kou.

De boten voeren meestal twee weken tot de “visplekke”. De vaarroute bedroeg ongeveer 2500 km. Naast de vele kustomzeilingen en banken bepaalde de factor “wind” of de overtocht al dan niet vlot verliep. De boten die uit Duinkerke vertrokken, voeren de Noordzee in en trokken langs de oostkust van  Engeland, langs de Shetland naar de Faroër-eilanden – een zeer gevaarlijk klippengebied – om zo IJsland te bereiken. Reeds na een paar dagen varen kampte men geregeld met storm en onweer. De weersomstandigheden verbeterden er niet om naarmate men de Poolzeeën naderde. Het was immers volop winter en het kon op zee “buschen” als in de hel!

Bij de aankomst in de IJslandse wateren begon het voorseizoen. Langs de zuidelijke kusten zocht men naar de beste visgronden. Kabeljauw zwerft en zit nu eens diep, dan weer hoog. Het kon gebeuren dat de scholen op enkele uren tijd mijlen ver verhuisd waren. Er moest dus een goede kenner aan boord zijn, iemand met een “vis-neus” die wist wat peilen en visjagen betekenden.

Na twee maanden vissen voor de zuidelijke kust voeren de schepen “ met het weer mee” naar de noordkant van het eiland. Als het weer meeviel voer men IJsland rond. Sommige vissers die van duivel noch hel schrik hadden, durfden die vaart ook al aan in het voorseizoen.

Het bezoek van een Frans oorlogsschip verbrak de eentonigheid van het vissersleven op de IJslandse wateren. Het oorlogsvaartuig – de vissers noemden het “De Jager” – bracht brieven mee, moest alle mogelijke bijstand verlenen en diende ook vaak als gevangenis voor weerspannige of opstandige reisgezellen.
Tijdens het naseizoen zette men de reis verder noordwaarts.

Het was halfweg juni – begin juli. Met verwondering beleefden de vissers de wonderlijke poolnacht. Er werd gevist als bezeten. In afwisselende ploegen stonden de mannen aan dek onafgebroken te “kollen” (met de lijn vissen).

Eind juli begon men aan de terugreis te denken. Als het zout, waarmee de vis gepekeld moest worden, op was vertrok men huiswaarts. Bij een slechte vangst durfde men de afvaart uitstellen tot half augustus, langer niet. Tijdens de terugvaart moest men langsde Faroër-eilanden opnieuw rekening houden met hevige stormen.

Tegen half september moesten alle boten immers terug in veilige haven zijn.

Vissers en hun (bij)geloof

Op de schouw van Pol Corteel stond een speciale gedachtenis uit de tijd dat hij nog op IJsland voer. Het was een soort koperen kogeltje waarin een  Mariabeeldje verwerkt was. Het was “Onze- Lieve-Vrouw van Duinkerke”. Ijslandvissers droegen dit beeldje altijd bij zich, als een soort van scapulier.

De IJslandvaarders waren over het algemeen diep gelovig en zelfs de ruwste visser schaamde zich niet om, in diepe nood, te bidden. Voor elke afvaart stelde men zich onder de bescherming van de “Ster der Zee”. Er werden bedevaarten gedaan en missen opgedragen. Bij een behouden thuiskomst werd  Onze-Lieve-Vrouw nog eens extra bedankt in de vele kapelletjes van de Westhoek, maar vooral in Duinkerke en Lombardsijde. Talrijke beloften werden toen afgelegd en ook uitgevoerd. Als men te oud of te ziek was geworden om tegenover Maria het beloofde waar te maken, werd een plaatsvervanger  ingehuurd.

De beschepingsmis, de mis voor de afvaart, werd bijgewoond door iedereen die ook maar iets met de visserij te maken had. Deze misviering werd meestal opgedragen in het kapelletje van O.L.V. ten Duine, in Duinkerke. In 1403 vond men er, tijdens opgravingen voor versterkingen van de stad, een beeldje van de Moeder Gods. Ze was afgebeeld als een typische Vlaamse tobbersvrouw met een kindje op de linkerarm. Het beeldje werd in het kapelletje bewaard
en werd twee keer per jaar door de IJslandsvaarders vereerd: één keer voor de afvaart en één keer erna. In 1925 werd de laatste IJslandmis in het kapelletje  opgedragen.

Meer belangrijk was, voor de vissers, het beeld van O.L.V. van Lombardsijde. Naar Duinkerke gingen de vissers in hun gewone kleren; naar Lombardsijde ging  men op bedevaart in z’n beste kostuum. Het bedevaartsoord van Lombardsijde werd in de loop van de geschiedenis druk bezocht. Men kan nu nog in de kerk talrijke exvoto’s aanschouwen die door de vissers uit dank aan hun Ster der Zee geschonken werden.

De aanmonstering van de IJslandvaarders gebeurde in Duinkerke. Enkele dagen voor de afvaart trokken de vissers er heen. De nieuwelingen waren vergezeld  van hun peter die hen voorstelde aan een kapitein in één der havenherbergen. Later moest men nog eens terug om het park te passeren. Hiermee bedoelde men de eigenlijke aanmonstering in de Maritime. Dit bureau lag in een park. De zeeoverheid bepaalde er het loon en daar werden de nodige  formaliteiten geregeld. Wanneer men, na de aanmonstering, voor een derde keer naar de havenstad trok, was het om scheep te gaan. Men zag toen de vissers in lange stoeten te voet langs de kust trekken. Hun schamele voorraad en hun kledingzak droegen ze op de rug. De vrouwen, de vissers noemden hen arme sloren, stonden met hun dutsen van kinderen hun man en vader uit te wuiven van op de duintoppen. Later werd de tocht naar Duinkerke met de  tram en de trein gedaan.

Voor de grote reis hadden er verschillende kermissen plaats. In Duinkerke trakteerde de kapitein z’n bemanning in een vissersherberg. Bij de uitvaart uit de haven bracht de vlag een laatste groet aan de thuisblijvers. Als het schip het ruime zeesop koos, maakte de kapitein een kruisteken en beval de bemanning om te komen lezen.

Iedereen kwam toen om het dek staan. Met hun gezicht naar de voorsteven bad de bemanning in stilte. Niemand waagde het toen om ook maar één woord luidop te spreken.Als er aan boord hardop gebeden werd, was dat een teken dat het niet goed ging met het schip. Bij storm of ontij, of als de kapitein inzag dat mensenhanden het schip niet konden redden, werd er verzameld in het logiesruim. Boven de schaftetafel hing een kapelletje met een Lievevrouwbeeldje er in. Er werd toen luidop gebeden en de vissers deden toen een belofte aan hun beschermheilige. Eén van de klassieke beloften was, dat indien het schip behouden zou thuiskomen, de volledige bemanning bij de thuiskomst onmiddellijk, zonder ook eerst maar één woord tot de familie te richten, op bedevaart
zou gaan naar Onze-Lieve-Vrouw ten Duine.

Bij de afvaart hoorde aan boord een stevige maaltijd. Op de gewone dagen was de kost weinig afwisselend: erwten of bonen, soep, beschuiten en af en toe een stuk gezouten vlees. Bij het vertrek was het anders. Voor de vissers was het feest met wit brood, mals vlees en een moes wijn. De kapitein moedigde z’n bemanning aan om hen goed te doen: stek maar vast, riep hij uit. Enige tijd later was het … allez, les enfants… en de noeste arbeid kon beginnen.

Opbrengsten van IJslandvaarders

De IJslandvaarders werden aangeworven per last. Eén last was twaalf tonnen vis en in één ton ging zowat 150 kilo. Ze verdienden tot 20 frank per last. Voor de afreis kregen ze een voorschot: 200 tot 300 frank. ( lonen van een vaart van omstreeks 1900) Bij de terugvaart kwam er, na een goede vangst, nog eens een 300 frank bij. Hierbij kwam nog een deel van de vangst van de kleine vis en ook van de kabeljauwkaken die onder de bemanning verdeeld werd. De visvrouwen gingen hiermee leuren bij de boeren en in de herbergen.

Bij een slechte vangst werd er bij de thuiskomst geen extra meer uitbetaald. Het was toen vechten voor de meeste kaken en thuis was het miserie troef.

Pette Corteel: Woeste zee en rampspoed

“Zulk een orkaan heeft er nog nooit bestaan…”, zong een liedjeszanger in de zomer van 1888 op de grote markt van Nieuwpoort. In zijn lied verhaalde
hij over de grote ramp die in het voorjaar van 1888 de westkust in een diepe rouw heeft gedompeld. In de omgeving van de bocht aan Hekla vergingen toen negentien Ijslandschepen.

Honderdvijfenzestig vissers vonden toen hun graf in de golven en er heerste diepe rouw in een dertigtal vissersgezinnen…

Henri Corteel – Pette noemden de vissers hem – was de oudere broer van Pol Corteel. In het rampjaar 1888 voer hij, samen met z’n broers August en Arthur op de “Concorde”. Samen met Philibert Asaert uit Oostduinkerke vormden ze de Vlaamse bemanning van het schip. Pette beleefde het vreselijke avontuur telkens opnieuw als hij erover vertelde:

“Het was een storm dat horen en zien verging. De schepen
waren overgeleverd aan de willekeur van de woeste golven. Ze werden
op en neere gesmakt en iedere visser verwachtte zich elk ogenblik
aan het einde. Alle getuig van de Concorde werd door de golven
afgekapt. Op een gegeven ogenblik was het schip zo goed als
gekapseisd. Enkele vissers slaagden erin om de zeilen af te snijden.
Pette werd samen met de kapitien, Jules Carru, door een pak zee
over boord geslingerd. Het duurde allemaal maar enkele seconden.
De golven rukten de twee mannen uit elkaar. Pette kon iets vastgrijpen
en geraakte zo terug aan boord. De kapitein verdween in de
kolkende zee.”

Pette Corteel is overleden te Westende in 1939. In totaal maakte hij twintig reizen naar IJsland en verloor twee keer zijn schip. Hij werd één van de meest typische IJslanders. Pette behoorde tot een groot gezin. Zijn vader en de vijf zonen trokken ieder jaar op avontuur naar het verre eiland.

De vader van Pette, Thomas Corteel, was in 1837 onderwijzer en koster te Lombardsijde. Vader Corteel hield echter zijn slecht betaalde job voor bekeken en ging op IJsland varen. Hij deed niet minder dan 36 reizen.

Pette Corteel verwierf aan de westkust naam en faam door zijn enorme neus die hij “gehaald” had op IJsland. Tijdens de ramp van 1888 bevroor zijn neus en begon na enige tijd opnieuw te groeien. Z’n enorme neus bezorgde Pette z’n typische kop. Pette Corteel huwde met Augusta Renty. Ze hadden samen
16 kinderen: 15 zonen en één dochter. Hij was zo gelukkig met de geboorte van een meisje dat hij haar noemde naar het laatste schip waarmee hij gevaren had: “Valentine”. Niet alle kinderen uit het gezin overleefden. Bij de thuiskomst uit IJsland was er vaak eenkindje geboren en dikwijls ook eentje gestorven.

Pette werd aan de westkust onder de vissers een ware volksfiguur. Hij was een koppige harde doorzetter met een gouden hart, die nimmer de schijn wilde geven dat hij geholpen moest worden. Ondanks zijn gebondenheid met de zee verzette hij er zich heftig tegen dat één van z’n zonen op hun beurt visser zou worden.
“De zee is een onzekere spinne…” Een spinne was een ander woord voor de voorraadkast. Als visser was je nooit zeker dat er brood op tafel zou zijn voor het gezin. Zo ervoer Pette Corteel het harde vissersleven.

De geschiedenis van reus Pier van Westende

Wijlen Dr. A. Van Damme , van 1939 tot zijn afzetting als oorlogsburgemeester van Nieuwpoort, vestigde zich na de bevrijding te Westende. Hij werd er  verkozen tot eerste schepen en was ook voorzitter van de Vereniging voor Vreemdelingenverkeer – nu de Dienst voor Toerisme.

Na een jarenlang verblijf in de IJzerstad, waar een eeuwenlange reuzentraditie bestaat, werd schepen Van Damme te Westende de grote bezieler om aldaar ook een reuze in het leven te roepen.

Hij zocht inspiratie in het rijke verleden van de IJslandvaarders en wilde het hoofd van Pette Corteel vereeuwigen in zijn gemeente. Wijlen G. Vieren uit  Oostende kreeg de opdracht om het hoofd van Pette te maken uit papier-maché.. Het vereeuwigen van het hoofd van de ijslandvaarder met de misvormde grote, dikke neus zag Dr. Van Damme als een hulde aan het stoere geslacht van de ijslandvaarders. Het hoofd van Pette Corteel werd vervaardigd en nu  moest nog de romp van de reus gebouwd worden.

Bij de presentatie aan de familie werd door één van de zonen van Pette protest aangetekend. Die vond dat men de “zot” ging houden met het hoofd van z’n vader. Zo werd het hoofd van Pette Corteel nooit gebruikt voor de reus van Westende.

Er werd druk gezocht naar een nieuwe oplossing. Gustaaf Vieren kreeg de opdracht om een nieuwe reuzenkop te maken en meteen ook de hele reuzenkledij. Hij moest zijn inspiratie zoeken in het oude ras van vissers. De nieuwe reus Pette Corteel kreeg de naam van “Pier van Westende”. Hij werd 3.50 m hoog en werd door één man gedragen. De reus stak in visserspak en had een kabeljauw onder de arm.

Op 15 augustus 1955 werd Pier gedoopt en tot eerste burger van Westende uitgeroepen. Zo wilde men, onder de vorm van deze reus, een monument geven aan de IJslandvaarders. Hij werd in stoet afgehaald. Aan het gemeentehuis werd Pier gedoopt met champagne. Hij kreeg het blauw-witte erelint
van de gemeente en kreeg de oorkonde als ere-bruger.

De stoet trok verder van het gemeentehuis naar het Sint- Laureinsstrand, waar Pier voor het eerst de zee kon aanschouwen. Dr. Van Damme hield op het strand een toespraak:

“Het eerste bezoek van Pier geldt de zee, waar hij lief en leed heeft gekend. Pier is het symbool van onze gemeentelijke vrijheden. Spijt de vele moeilijkheden is Pier geen doodgeborene. Geslachten gaan, maar Pier zal blijven bestaan. Hij heeft reeds een flinke deerne op het oog: Lisa van de Bamburg. Maar hij moet nog wat wachten. En dan komen er reuzetjes en reuzinnetjes…”

De jaren schreden voort. Lisa is er nooit gekomen en… het lichaam van Pier verviel. De kop werd lang bewaard in het heemkundig museum te Izenberge.

Sidebar