Familie Coopman, kolenhandelaars

De Heidestraat, aan ’t uiteinde van Westende, met uitzicht, richting Slijpe, over de weidse vlakte, onderbroken door de massieve bunkers van de “Bamburg batterij”(1). Aan de overkant van de straat, een door een troep vredig grazende ezels bewoonde weide, die je met luid “i.a” begroeten. Een wat ouder huis, een oprit, een hangar met daarachter een groot terrein en links een moderner huis met winkel.

In de prettig ingerichte achterkeuken ontmoeten we breed lachend Mevrouw Agnes Coopman, die op een guitige manier vertelt:

“Ik ben de derde in lijn van de negen kinderen van Arthur en Augusta CLAEYS, landbouwers in de Hofstraat. Onze voornamen, ouders en kinderen, begonnen allemaal met de letter A.

We liepen allemaal school te Westende. Vanaf mijn veertiende deed ik de melkronde, met een “triporteur”, mee voortgetrokken door onze herdershond “Marky”. Toen Marky te oud werd, kwam een andere, maar die herinner ik me zo niet. In de winter deden we het vervoer met de koets en een paardje en als er sneeuw lag, met een slede. Tussendoor werkten we op het veld. We raapten aardappelen en hielpen met de vlasoogst  bij andere grotere boeren. Mijn jongste zus deed later nog de melkronde tot haar zestigste.

In 1958, ik was toen 25 jaar,  ging ik over van de  witte melk naar een iets zwarter product.

Ik huwde immers met Roger, de zoon van kolenhandelaar August COOPMAN. Roger nam kort na ons huwelijk de zaak over van zijn vader en ik verhuisde naar het huis waar ik nu nog woon. Vader August was al kolenhandelaar vóór de Eerste Wereldoorlog. Hij leverde ook steenkool in de scholen.

Benevens het huishouden was ik ook hulp in de zaak: kolen scheppen, hout lossen en opstapelen. Het vervoer werd vroeger gedaan met paard en kar, maar in het begin van ons huwelijk koch­ten we onze eerste vrachtauto, een “Studebaker”. De kolen kwamen toen rechtstreeks thuis van de mijnen, ofwel per spoor in het goe­derenstation van Nieuwpoort. Dat moest allemaal overgeschept en gesorteerd worden. Toen de steenkool in het station van Nieuwpoort toekwam, moest die snel afgehaald worden, zoniet moest er een zware vergoeding, de zogenaamde “chômage”, betaald worden.

Er waren toen twaalf verschillende soorten kolen(2), en ook nog cokes, eiercokes, briketten en 4 tot 5 soorten antraciet, en “Kempische boontjes”(3). Dat was allemaal opgeslagen in het terrein achter de gebouwen. We kochten ook een machine om grote stukken steenkool te breken. Dat bracht natuurlijk allemaal veel stof teweeg. Naarmate het steenkoolverbruik afnam door de modernere verwarmingsinstallaties werd minder steenkool verbruikt en werd die meestal in zakjes van 25 kg verkocht. We vulden zelf die zakjes. Nu verbruiken nog maar weinig mensen steenkool, vooral in de tussenseizoenen.

Van 1958 tot 1965 kweekten we ook drie koeien. De melk ging naar de melkerij. We kweekten ook kippen, konijnen en duiven. Nu kweek ik nog duifjes voor eigen gebruik.

Sinds 1966 verkopen we ook mazout en butagas.

Toen mijn schoonvader overleed, kwam mijn schoenmoeder bij ons wonen. Ze overleed in 1982. Ja, we kwamen in die 25 jaar dat ze bij ons woonde, zeer goed overeen. Ik was vroeger zeer muzikaal aangelegd. Ik zong en floot de ganse dag; dat kon ze niet goed verdragen. Ja zingen en fluiten  kan ik nog, maar zal dat nu niet voor je doen.

Mijn echtgenoot Roger overleed in 1989, hij was 73 jaar oud

We kregen twee zonen: Patrick, nu 45 jaar die de zaak overnam en Eric, nu 37 jaar die nog niet gehuwd is en uit de zaak stapte.

Patrick huwde met Francine Pieters. Ze hebben twee zoons, 19 en 16 jaar oud.

Hij breidde de zaak uit met de verkoop en installatie van verwarmingstoestellen en moet daarvoor geregeld nog cursussen volgen. We verkopen ook nog voeders en granen voor kleinvee, kippen en konijnen.

Vraagje: “Als je hoort roepen “luiaard”, keer je je dan om, om te zien waar het vandaan komt?”

“Zeker niet, ik heb veel en graag gewerkt. Ik zie er nu nog niet tegen op om de auto’s van de klanten te helpen inladen. Ik hou me fit met fietsen. Iedere dinsdag ga ik fietsen en iedere zondag fiets ik mee met de gepensioneerden. We leggen meestal tochten van 40 km af.

Ik voel me wel wat eenzaam ’s avonds, maar hou er wel de moed in.”

Nog een vraagje: “Het schijnt dat je door de reismicrobe gebeten bent?”

“Overdrijf nu maar niet. Ik neem van tijd tot tijd deel aan een dagjesreis, maar ver reizen zit er niet in. Volgende week gaan we voor twee dagen naar Reims, de champagnestreek.”

We vernamen niets over die reis naar de Champagnestreek maar ’t zal wel fameus geweest zijn. “Santé” Agnes, je bent een voorbeeld hoe het moet.!..

Voetnoten

(1) Zes zware bunkers tijdens Wereldoorlog II, door de bezetters gebouwd. Genoemd naar de “Grote Bamburghoeve” van de abdij van Oudenburg, reeds bekend in 1208. Ze was tot in 1914 een grote uitbating. Vanaf 20 oktober 1914 en gedurende de hele Tweede Wereld­oorlog,  was ze het toneel van zware beschietingen en werd volledig vernield Ze werd na de oorlog herbouwd, maar kleiner. Op de zijmuur van de hoeve staat een tekening die de hoeve nog in 1914 voorstelt. Bibl. Georges Bloes in “Graningate” n° 15 van september 1984.  Zie ook “Graningate” n°95 van 2004, blz.36, over Westende.

(2)  Wat zijn we toch een rot verwend volk!

(3)  “Kempische boontjes” zijn

Sidebar