De tram van Leffinge

Tot zowat 35 à 40 jaar geleden waren personenauto’s niet zo veelvuldig op de baan als nu. Zoals er nu niet al te veel gezinnen meer zijn zonder auto, waren ze ook niet al te talrijk, mensen mét auto.
Mijn grootouders van vaders zijde, Oscar Maes en Servie Claeijs woonden aan de Papegaaistraat waar nu Myriam Maes woont. Mijn grootouders van moeders
zijde Kamiel Despodt en Elisa Lecot, woonden aan de vroegere Wilskerkestraat. Als kleinkinderen spraken we respectievelijk over pepé en memé, over pet en met.

Trajet Oostende-Leffinge

Aangezien ons gezin: ikzelf, mijn vader Octaaf Maes en moeder Maria Despodt te Oostende woonden aan de Timmermanstraat 56 in het Westerkwartier, gingen we elke zondagnoen met de tram naar Leffinge. Hiervoor dienden we uiteraard de lijn Oostende-Diksmuide te nemen, opstapplaats: hoek  Leffingestraat- Torhoutsesteenweg. Tot omstreeks 1950 gebeurde de trip met de tram, het Camieltje in de volksmond gezegd. Later met de bus.

Niettegenstaande ik toen klein was, kan ik mij nog delen van de rit herinneren: we zetten ons altijd op de laatste wagon. Via de Hoge Barriere en de Kromme Elleboog en het dorp verliet de tram de grote baan en sloeg links de velden in, kwam Leffinge binnen langs de molen en tufte voorbij de kerk met het kerkhof errond, tot aan de halte aan het gemeentehuis met er rechtover de herberg van Vynckes.

Langsheen de Groenhagestraat gingen we dan naar pepé en memé, die woonden op de verduisterde weg naar Slijpe, niet zonder goeiendag te zeggen
tegen allen die we tegenkwamen, ook voorbij Rommels waar mijn grootvader nog gewerkt heeft. Soms gebeurde het ook dat mijn toenmalige Leffingse vrienden Freddy Mares en Joris Jansseune me opwachtten om te voetballen in de weide rechtover de molen Rommel. Na het bezoek aan pepé en memé – in de beek pakten we stekelbaarsjes – gingen we naar pet en met. We namen de tram terug naar Oostende van rond 19 uur ‘s avonds. Ik herinner me nog zeer goed de winterbezoekjes vooral. Waarom? Aan de overkant van de straat stond een straatlicht, één van de weinige en het was niet zoals heden ten dage dat je nu overal licht ziet.

Neen, het was pikdonker. Hier en daar brandde een eenzaam lichtje en ik was werkelijk gefascineerd door de geschapen sfeer. Ik vond het wat benauwelijk en toch uiterst gezellig. Op tram of bus wachtten we in de inkom van het gemeentehuis.

Er brandde wel geen licht, maar geen probleem: we zagen met het straatlicht. Er stonden steeds zowat 10 à 15 mensen te wachten. En wat werd er  gebabbeld als de bus of tram niet afkwam! Zo kort na de bevrijding was het steevast over den oorlog. Soms gingen we ook bij Vincke binnen, waar een oude dame de herberg openhield.

Ik vond het nog altijd jammer dat ik deze sfeer van gezelligheid niet kan weergeven, het is me ontgaan. Nu spreken de mensen over de trein-tram-busdag.
Voor er sprake was van zo’n dag pasten mijn oom Gerard Huughe, tante Mariette Maes en hun dochter Marie-Therèse dit begrip toe: Ze kwamen met de trein van Brussel naar Oostende, dan met tram of bus naar Leffinge.

Varia

Ook onze grote dichter Guido Gezelle (1830-1899) kende reeds deze vorm van openbaar vervoer. Luister maar!

Geen sterre en is, de noene alleen,
Geen sterre en is ontsteken,
‘t en zij, omtrent den ijzerweg,
de hooge stallichtreken,
en ruischend rolt het rad voorbij,
het rad, dat, op de schenen
een snoer van snelle wagens voert,
en schielijk is verdwenen

Sidebar