1920 Bouwovertreding in Westende

De wederbouw van de kust na de Eerste Wereldoorlog werd toevertrouwd aan het hoogcommissariaat voor de wederopbouw van de Kuststreek. Deze instelling verleende ondermeer de bouwvergunningen in plaats van de gemeentebesturen van de getroffen gemeenten.De hoogcommissaris voor de wederopbouw was aanvankelijk de Gentenaar Emile Coppieters, aannemer van openbare werken, onder andere van werken in de haven van Oostende.

In de hiernavolgende tekst wordt de, volgens de schrijver, gebrekkige werking van die dienst aangeklaagd. Was het nu een misverstand of een slechte afspraak, hun woning niet op de rooilijn bouwen kwam voor vier Westendenaars bijna duur te staan.

Op 22 juli 1921 bloklettert de Duinengalm “KOENKELFOEZERIJ TE WESTENDE”:

“Voor enkele dagen gaven we een staaltje van konkelfoezerij
en dies meer in het Hoogcommissariaat van de kust. Heden willen
we een ander terrein betreden, dit namelijk van de hooggeroemde
bevoegdheid van de heer Coppieters en aantonen hoe zijn beheer,
op dit stuk, flaters begaat die aan de staat kostelijk vallen en aan de
geteisterden pijnlijke verrassingen veroorzaken.
Het bestuur van openbare werken had beslist dat te Westende
de op te trekken huizen gebouwd zouden moeten worden op een
afstand van 8 meter van de Nieuwpoortse Steenweg, dit denkelijk
met het oog op de ontworpen brede laan die aldaar later zal worden
aangelegd.
Nu hadden de heren August Marchand, Desiré Verslype en
Ser. Lefèvre de heropbouw van hun woning door de staat bekomen.
Deze zou door de zorgen van het hoogcommissariaat gebeuren, die
alle verdere schikkingen voor het bouwen moest nemen. Een landmeter
werd gezonden, die het “alignement” vast stelde en een aannemer
bouwde de drie huizen op volgens de opgegeven plaatsaanduidingen.
Later bouwde de genaamde Pauwels zelf een vierde
huis, volgens dezelfde lijn.
Doch, nu komt de kat op de koord. Pas waren de vier huizen
voltrokken of daar kwam de officiële toezichter van het beheer van
Bruggen en Wegen en stelde vast dat de gebouwen 1m50 achter
het “alignement” stonden en verklaarde dat de vier hoger genoemde
personen voor overtreding van verordeningen op het bouwen voor
de rechtbank van Nieuwpoort zouden gedaagd worden. Vandaar
grote ontroering bij de vier belanghebbenden en dadelijk trokken zij
naar de burelen van het hoogcommissariaat om opheldering over
het mysterie te bekomen.
Daar werd hun verzekerd dat zij niet zouden verontrust worden
en dat de zaak geen verdere gevolgen zou hebben.
Enkele dagen daarna werden de vier betichten voor de rechtbank
te Nieuwpoort gedaagd en daar gebeurde dit wonderbare: het
openbaar ministerie verklaarde dat de vier aangeklaagden volstrekt
geen de minste plicht hadden, maar dat, gezien er toch overtreding
van de wet gebeurd was, zij moesten gestraft worden en hij deed
een beroep op de rechter opdat de minste straf zou toegepast worden
en dat de kosten van het proces ten koste van de staat zouden
vallen. Wat dan ook gebeurde en de rechter bood zijn
verontschuldigingen aan de veroordeelden. De staat zal het dan
wederom moeten ontgelden en gevolgen van de hoge bevoegdheid
van het beheer van het hoogcommissariaat dragen.
Aan dit hoogst interessant gevalletje komt nog dit staartje.
Verschillende andere geteisterden hebben aangevraagd om op
dezelfde lijn te mogen bouwen; dit werd hun natuurlijk geweigerd en
zo zullen de nieuwe huizen opgetrokken worden, met een voorsprong
van 1m50 op de vier andere woonsten; waardoor voor altijd
daar de straat zal ontsierd worden en een vuilhoek zich zal vormen.
Zou dit laatste niet kunnen verhinderd worden met er een monument
op te richten aan de bezoldigde hoge bevoegdheid van het commissariaat
van de kust?”

Sidebar