1914 De inval van de Duitsers in Mannekensvere

In “De Duinengalm”, een weekblad over de Belgische  Kust, verscheen vanaf  jaargang 1920 wekelijks een bijdrage  over de inval van de Duitsers in onze streek. Het relaas is levendig  en sappig geschreven, een samenvatting ervan maken zou de  sfeer teniet doen. Het verhaalt over de angst van de eerste contacten  met de bezetter, de vlucht, het leven van dag op dag. Wij  zullen dan ook vanaf nu geregeld deze teksten overnemen, aangevuld met illustraties in toelichting.
Van zondag 11 oktober tot woensdag 14 oktober kwamen  Belgische soldaten, groot in getal, langs Mannekensvere  gevlucht en trokken over de brug van de Yser, die  Mannekensvere aan de gemeente St.-Joris bij Nieuwpoort  verbindt. Donderdag de 15de kwam een afdeling van de  Belgische genie toe die in de  namiddag de kerktoren deed  springen. Oneindig veel schade werd aangericht aan de huizen  ter plaatse: een 15-tal huizen waren onbewoonbaar geworden.

 

De inwoners ter plaatse, radeloos van schrik, vluchtten de ene  over de Yser, de  andere over land, een zeker aantal zocht een  onderkomen op de Zevecotehoek, een 30-tal werd geherbergd  bij de landbouwer Eduard Mathys(1), nog anderen op de een of  andere hoeve. Weinig of geen mensen bleven ter plaatse. De donderdagavond kwam de achterwacht der Belgen -ruim 1000  man- toe. Dezelfde dag werden machinegeweren geplaatst op de kalsijde van Spermalie, aan de gevel van de heer Charles  Degraeve en aan deze van de weduwe Zwaenepoel. ’s  Avonds  werden ze weggenomen en over de brug van de Yser geplaatst.

’s Zaterdags deden de Belgen de molen van Govaert, aan de  brug en de zondagvoormiddag de brug zelf springen. Op zondag 18 oktober, rond 10 u 30,  kwamen de Duitsers toe. De  achterwacht der Belgen stond aan de bruggen  (Molenbrug,  Biesbrugge, verkeerdelijk Busbrugge genaamd), aan de  Rattevalle,  aan Spermalie en aan Bergensduiker. Ze wachtten  daar de Duitsers op, doch in  plaats van langs de kalsijde en de duikers te komen, kwamen ze van de kant van Slype langs het  Geuzengat, dwars door ’t land. Gedeeltelijk kwamen ze ook  langs het kalsijtje van Slype – en volgens ooggetuigen, leek  hun opkomst een ware  klopjacht: uit hun holen verjaagd,  vluchtten de hazen bij honderden. De Duitsers  legden twee  bruggen over ’t Zijling (Vladsloovaart). De Belgen schoten op  de aanrukkende Duitsers, deze antwoordden, en van weerskanten  vielen er doden. Verscheidene Belgen die niet rap  genoeg over de Yser geraakten, werden  gevangen genomen.

Een 8-tal gesneuvelde Belgen bleven geruime tijd onbegraven  ter plaatse liggen. De Duitsers waren pas meester in  Mannekensvere of ’t regende granaten. 4  Mannekensverenaars  vielen die dag als slachtoffers, nl.:

  1. het gemeenteraadslid Henri Maes, rond de 60 jaar oud, en
  2. zijn vrouw Nathalie Maes, 53 jaar oud. Beiden die de donderdag van uit hun woonplaats waren gevlucht, waren sedertdien teruggekeerd. Zij hadden zich weggestoken in hun karrenkot, met hun 72 jarige oom, Henri Debruyne, die op de knieën zat. Zij stonden recht, de granaat vloog door de deur.
  3. de landbouwer Camiel Spegelaere, 47 jaar oud, wonende aan de Busbrugge: hij werd door een bom gedood terwijl hij zijn koeien uit het gras haalde; hij werd door de Duitsers bij zijn huis begraven.
  4. de werkman Désiré De Vlaemynck, rond de 50 jaar oud, die getroffen werd in een gracht, waar hij samen met vader en moeder Sloove en hun dochter Esperance een schuilplaats had gezocht. Hij was op slag dood.

De vrouw en de dochter Sloove werden erg gewond en door de dochter De Vlaemynck overgebracht naar de woonst van weduwe Pieter Verhelst, wier zoon Oscar door de Duitsers gedwongen werd, hen dezelfde avond, met paard en rijtuig, over te brengen naar Oostende, waar zij verpleegd werden in  het Hôtel des Thermes. Wat vader Sloove betreft, deze werd  niet gekwetst; hij doolde een tijd lang in Slype en Leffinge en  kwam, eindelijk verscheidene weken later te Oostende toe, bij  vrouw en dochter. Die zondag 18 oktober werden de mensen
door de Duitsers binnen gehouden en in het een of ander kot  gestoken, met het verbod er uit te komen.

De hele nacht hoorden de mensen , die ons ingelicht hebben(2), geweldig  schieten en rondlopen en toen ze de maandagmorgen opstonden waren al de deuren en vensters door de Duitsers weggedaan, en de dekens, matrassen en kleren weggenomen om te gebruiken in de loopgrachten die zij gemaakt hadden.

Een 25-tal Mannekensverenaars van die hoek (3) of op die hoek gevlucht, trokken naar de Slypebrug. Enkelen onder hen poogden ’s avonds terug te komen, doch vruchteloos. Van toen af deelden zij het lot van de Slypenaars, van de ene gemeente naar de andere dolend, tot ze in Oostende aankwamen en in andere omliggende gemeenten. In de loop van de dag vluchtten nog Mannekensverenaars naar Slype. De E. H. pastoor Emiel Vandecasteele, een ziekelijke ouderling van 65 jaar, was uit de pastorij gevlucht naar de kelder van Pius Zwaenepoel, waar heel deze familie en de zusters van ’t klooster een schuilplaats hadden gezocht. De Duitsers kwamen daar de maandag, en de E. H. pastoor en de zusters moesten de kelder verlaten; de anderen mochten blijven doch wilden niet omdat hun Herder weg moest. Zij leidden hem langs de Gistelse kalsijde een eindje voort, en daar hij niet meer weg kon, werd hij opgenomen door een Duitse ambulancewagen en vervoerd naar het bejaardentehuis van Zevecote. Hij bleef daar 2 dagen lang tussen leven en dood hangen en werd eindelijk door de dood van zijn pijn verlost.

Hij was geboren te Eernegem en stond te Mannekensvere sedert 1902. Er wordt beweerd dat hij nogal erg door de Duitsers werd mishandeld; wij kunnen ’t niet verzekeren! De zusters van ’t klooster vluchtten naar Slype en van daar naar Oostende.

Op maandag 19 oktober en de volgende dagen, tot rond de vrijdag werd Mannekensvere hevig beschoten door de 5 Bondgenoten: de maandagavond brandden verscheidene woonsten af, de dinsdagmorgen het schelfhof van de Heer Burgemeester; vele huizen werden erg beschadigd; ook het klooster had zijn deel, en de woning werd binnen half afgebrand.

Wij spraken hierboven van een groep Mannekensverenaars die op donderdag 15 oktober gevlucht waren op de hofstede van Eduard Mathys. Ze zaten daar, de familie Mathys meegerekend, met 35, oud en jong, waaronder 7 mannen.

De zondagmiddag kwam de eerste Duitser binnen, en daar die mensen zo verschoten, zei hij, zonder door iemand geloofd te worden, dat hij een “Engelsman” was. Tegen de avond zat het huis vol Duitsers! De volgende dag werden onze 35 Mannekensverenaars op de voutekamer gestoken, waar zij 8 dagen lang leefden van aardappels, water en zout. De Duitsers hadden zich meester gemaakt van de kamers en van de keuken en kookten als ze zin hadden: stond bij ongeluk de pot met aardappelen van de Mannekensverenaars op de stoof, als zij binnenkwamen, dan vloog hij er af! Van de maandag (de 19de) reeds werden in de bovenkamer van de hofstede Mathys twee machinegeweren geplaatst, en toen er mee geschoten werd, daverde de woning op haar grondvesten.

De Duitsers plaatsten ook een telefoon, en opdat er niet zou kunnen op geschoten worden, wierpen zij een aarden wal op. Iedere keer dat de mensen die op de voutekamer zaten deze moesten verlaten, zagen zij zich verplicht door het venster te kruipen en over de wal te klauteren. Ganse dagen zaten de Duitsers aan de telefoon, en men hoorde hen soms zeggen “dat ze daar(4) niet konden blijven, dat ze zouden verdrinken door ’t water en van de honger en dorst zouden vergaan”, was een grove leugen, want zij leden gebrek noch aan spijs noch aan drank! Ze zorgden er tijdig voor om goed bevoorraad te zijn! Terwijl onze Mannekensverenaars daar zaten, kwam op zekere dag, een officier die aan de mannen beval iedere dag de beesten eten te gaan geven.

Op 4 november mochten zij terug naar het dorp. Zij vonden er hun woningen in een erbarmelijke staat: half opgebrand of in puin vallend, doorschoten door de granaten, overal geroofd en geplunderd! Ze mochten blijven tot 24 november, de Duitsers intussen in de huizen slapend en er heer en meester spelend.

Op 24 november, rond 10 uur ’s morgens, kwam het bevel dat al de inwoners van Mannekensvere binnen het uur op weg moesten naar St.-Pieters-Kapelle; de bestialen moesten mee. Men had die treurige stoet moeten zien: die groep oude en jonge mensen, afgesloofde ouderlingen, kleine dutskes van kinderen, vrouwen en mannen, de ene op zijn kloefen, de ander met schoenen, een derde half bezwijkend onder de last van zijn vet varken dat hij ten slotte moest laten lopen…en voor altijd uit het oog verloor! Die groep mensen, zeggen wij, samen en naast hun vee, net als dit vee voortgedreven door ulanen te paard, de lans in de hand, klaar om te steken! Een weinig voorbij Spermalie, op de weg naar Capelle, werd halt gemaakt: de kudde moest daar wachten tot de Schoorenaars bijkwamen.

Enkele personen van Schoore waren daar reeds, doch men wachtte op deze van Schoorbakke. Welke troep, die Schoorenaars, als ze toekwamen! Er waren waaronder twee oude vrouwtjes, Mietje Angelus en de weduwe Maes, die door de Duitsers opgetild werden, en net als een stuk fasseel, op een kar geworpen! Daar was ook een oud manneke bij, Bernard Geernaert, dat gans in een deken was gedraaid en plaats kreeg op de kar van Pius Zwaenepoel(5). De stoet trok verder naar Capelle, waar het vee de weg van Diksmuide werd opgedreven, en het menselijk vee de weg van Zevecote. Waren de ongelukkigen plat geruïneerd, ze waren daar toch betrekkelijk in veiligheid!

voetnoten

(1) afkomstig van Bredene bij Oostende
(2) en op de Zevecotehoek gevlucht waren
(3) de Zevecotehoek
(4) Rond Mannekensvere
(5) Hij overleed enige dagen later in het bejaardentehuis van Zevecote.

Sidebar