1786 Diefstal in Leffinge

De derde zondagmorgen van september, Leffingekermis dus, van het jaar 1786 stond  het dorp in rep en roer. Bij Philip Oudaert, een ingezetene van op de ‘platse’, was er  de nacht voordien een inbraak gepleegd en de inbrekers konden ongezien met de  buit ontsnappen.

Niemand hoorde of zag iets en van aangehouden personen was in eerste instantie geen sprake. De roddels gingen hun gang, sommigen verspreidden  zelfs het gerucht dat Oudaert zelf het gestolene weggemoffeld had.

De verdachten

De praatjes concentreeerden zich evenwel meer en meer op twee personen: het minderbedeelde echtpaar Frans De Paepe-Isabella Vanhove. Zij hadden schulden en verteerden -aldus de goegemeente- plots meer geld dan anders. Van waar kwam dat geld dan ? Dat diende wel even onderzocht te worden en beiden werden  aangehouden, naar Brugge gebracht en er ondervraagd.

Van deze ondervraging zijn de verslagen bewaard, van de uitspraak heb ik geen weet.

Isabelle Vanhove werd op 7 december 1786 als eerste ondervraagd. In vraag- en antwoordvorm werd alles genoteerd.

Zij beweert 36 jaar oud te zijn, als dochter van Jacob Vanhove geboren te Wulcken (Wulpen?), te Leffinge te wonen met haar man Franciscus De Paepe van wie ze zegt dat hij visser is. Om haar kostje te verdienen verkoopt zij de vis die haar man ‘s nachts vangt, zij drijft een handeltje in stokvis en leurt ermee met kar en ezel.

Tevens verkoopt zij appels en groenten, zij ging om boter naar Diksmuide, naar Torhout en naar Lichtervelde om die te verkopen op de donderdagmarkt te Oostende. De ezel waarmee ze handel drijft heeft ze al lang. De kar daarentegen kocht ze bij wagenmaker Bernolet die aan de Laatste Barrière te Oostende woont, het ijzeren beslag werd gemaakt door smid Henri Depoorter van aan Snaaskerkebrug. Dit beslag is nog niet betaald maar haar man breit een visnet in ruil en in afwachting dat er centen zijn. Haar vent werkte ook een tijdje in ‘den daijrinck’ bij Caerel Obstaelens (Opstaele) te Leffinge. Om zich helemaal uit de penarie te helpen zegt ze ook dat zij sucrioen, tarwe, aardappels en andjoen verkocht. Zelfs paling werd gevangen om te verkopen. Van haar overleden broer uit Snellegem erfde zij 7 pond 3 schellingen 4 grooten wisselgeld en leefde daar ook mee.

Schulden zijn er genoeg: zij huren een huis van Baes Uittenhove, een timmerman uit Oostende, de achterstallige huur werd betaald met de opbrengst en met  paling. Zij heeft tevens nog schuld aan Frans Pick uit Leffinge voor winkelware, aan  Joseph Verscheure voor pettateland, aan Augustij Questier, zij leende geld aan Pieter Pitte en aan de wezen Hellinck (hiervoor stond vader De Paepe borg), er waren nog schulden aan stokhouder Tillij en ook aan procureur Pulinckx te Brugge. Deze laatste had reeds vele aanmaningen tot betalen gestuurd.

Het verhoor

Of zij wist van de diefte bij Philippe Oudaert? Isabelle had vernomen dat de diefstal plaats vond in de nacht van zaterdag op zondag van Leffingekermis, de dief was -volgens de vrouw van Oudaert- langs het venster binnengebroken en had 22 pond grooten gestolen. Tot haar ontzetting had ze, wanneer ze op een  donderdagochtend naar de markt van Oostende ging, van haar gezelschap vernomen dat zij en haar man verdacht werden van de diefte.

Na deze ondervraging werd het verslag nog eens voorgelezen en Isabelle Vanhove moest haar verklaring ondertekenen. Tien dagen later, op 17 december 1786 dus,  is het de beurt aan François De paepe. Hij stelt zich voor als de 31 jarige zoon van Pieter en te Slijpe geboren, als strodekker die te Leffinge woont en 5 kinderen heeft.

In de zomer werkt hij ‘in den daijrinck’, vist ‘s nachts en verkoopt stokvis. Van zijn halfzuster erft hij 7 guldens, hij kreeg ook geld voor goederen op de markt  verkocht, bij Caerel Moens dekte hij een deel van de paardenstal met stro. Aan  molenaar Poppe uit Oostende verkocht hij vis.

De speurders willen weten waarmee hij het vissersgerief betaalde en hoe hij zoveel paling ving. Daarvoor had hij een pasklaar antwoord. De paling haalde hij uit de duikersput voor zijn huis, hij verkocht het graan dat door zijn kinderen van het veld geraapt werd aan brouwer Eugeen Boedt.

Schulden had hij genoeg. Aan Joseph Verscheure pachtte hij petatteland, er waren schulden aan Pieter Pitte, aan Augustij Questier uit Ichtegem, aan een  schipper uit Elsendamme, aan de wagenmker en de smid voor de kar, aan  stokhouder Rabaut voor aardappelen, 3 pond grooten aan molenaar De Vos, aan Sieur Jooris moest hij nog rente betalen voor een obligatie, procureur Pulinckx  moest ook nog vergoed worden en daarvoor kreeg hij heel regelmatig  aanmaningen tot betalen. Tenslotte waren er nog andere kleinere schulden  waarvan zijn vrouw meer af wist.

Nu heeft de man bijna geen geld meer, wel nog 4 of 5 kroonstukken van de verkoop van aardappelen en groenten op de markt. Hij betaalde de stokvis  waarmee hij leurt aan Isabelle Dhoest uit Brugge en kocht ook 3 zakken appels.

Vinden we hier tegenstrijdigheid? Op het laatste van oktober of begin november kocht François een gouden kruis aan stokhouder Tillij en kleren voor zijn vrouw! Nu komen de speurders ter zake: de diefstal bij Philippe Oudaert.

François De paepe  weet dat hij vermogend is, hij gaat met 2 ezels naar de markt en wordt als zeer  welstellend aanzien. De laatste tijd kwam hij er regelmatig, nog een paar dagen  voor de diefstal om een gareel te lenen. De morgen van de diefstal zelf vertelde vrouwe Oudaert hem over het feit: de inbraak gebeurde langs het venster, de dief  nam de sleutel van onder het hoofd van de vrouw, hij opende de kist en stal het  geld en goudwerk.

Hij weet niet wie de dader is maar wel dat hij zelf aangewezen wordt als dief  gezien zijn slechte reputatie op de parochie.

Pieter Pitte, vetlegger uit Leffinge, Therese Moens, de vrouw van de herbergier en gebuur Anthone Vermeersch beweren dat Oudaert zelf de diefstal wel eens zou  kunnen voorgewend hebben.

Pieter Maenhout vertelde de betichte dat hij verdacht is en daarom wenst François  De Paepe verhoord te worden hetgeen bij deze gebeurd is.

Hoe de diefstal is opgelost weten we niet, feit is dat de beklaagden zich in alle kronkels moeten plooien om een aanvaardbare uitleg te kunnen geven. Weten zij nog wel van welk hout pijlen te maken?

Bron

Rijksarchief Brugge: Fonds Brugse Vrije Registernummer 17036 folio 11
verso.
Met dank aan vriend Marcel Desmedt die me attent maakte op het bestaan
van deze akte.

Sidebar